Soms hadden we zelfs even echt menselijk contact

Ik vind het aardig als mensen mij vragen hoe mijn vakantie was. Maar het is wel een moeilijke vraag om te beantwoorden, omdat er nagenoeg niets gebeurd is. Ik heb onder een boom gezeten in mijn bikini. Af en toe liep ik naar het wc-huisje van de camping. Daar deed ik dan een plasje. Als je zwanger bent, moet je vaak plassen.

De tocht naar het wc-huisje telde precies honderdtweeënzeventig stappen. Na twee weken had ik het pad naar de wc uitgesleten tot een diepe loopgraaf. Mijn eigen, persoonlijke loopgraaf van honderdtweeënzeventig stappen. Maar dat zijn toch niet de fleurige anekdotes waarmee je thuis hoort te komen.

Voor de rest heb ik me alleen beziggehouden met de andere mensen op de camping. Niet bezig als in ‘Hé buurman, zullen we spontaan barbecuen?’ maar bezig als in: bespioneren.

Mensen op een camping ken je niet – dat wil zeggen, je weet niet hoe ze heten, wat voor werk ze doen, of hoe ze eruit zien met gewone kleren aan. Maar je kent ze ook weer heel erg wél, want je weet hoe ze er bijna-naakt uitzien, of ze snurken en in wat voor ritmes ze snurken, je weet hoe vaak ze plassen en poepen, en je weet van welke vleesjes ze houden en in welke mate van aangebrandheid ze die vleesjes het liefst eten.

Op basis van die informatie en hun nummerbord kun je dan makkelijk zelf namen en achtergronden voor ze verzinnen. Zo hadden wij voor bijna alle mensen op onze kleine Franse camping een bijnaam, gebaseerd op een van drie zekerheden: 1. hun afkomst, 2. hun uiterlijk of 3. hun poepgedrag. Zo hadden we VVV Venlo, de Slanke Aap, Meneertje en Mevrouwtje Scheet en vele anderen.

Nadat de namen vastgesteld waren, konden we urenlang over ze praten en beschouwen. We konden ze bekritiseren en prijzen. We konden onze mening over bepaalde mensen (Meneertje Scheet, bijvoorbeeld) ook bijstellen.

Soms hadden we zelfs even echt menselijk contact met al die personages, als we bijvoorbeeld meededen met jeu de boules. Dan moesten we ons wel inspannen om ze gewoon ‘Ries’ en ‘Thea’ te noemen, en niet ‘Circus Renz’. Maar dat lukte vrij aardig.

Daarna ging ik dan weer onder mijn boom zitten of door mijn loopgraaf lopen, om rustig verder te denken over de mensen op de camping.

Wat deed ik vroeger in godsnaam in hotels?