Rust als basis van een Jamaicaans mysterie

Usain Bolt werd gisteravond in Berlijn als eerste Jamaicaan wereldkampioen op de 100 meter. In een wereldrecord natuurlijk. Want dat is bij Bolt intussen heel gewoon.

Usain Bolt spot met alle stereotiepen van een sprinter. Nadat de Jamaicaan vorig jaar bij de Olympische Spelen al had afgerekend met het beeld dat een sprinter klein en geblokt behoort te zijn, bewees hij gisteren bij de wereldkampioenschappen in Berlijn dat het wereldrecord op de 100 meter ook met grote happen verbeterd kan worden.

In het stadion waar Jesse Owens bij de nazi-Spelen in 1936 sprintgeschiedenis schreef, kromp Bolt ’s werelds beste tijd in van 9,69 tot 9,58 seconden. Een verschil van elfhonderdste seconde. Zoiets was sinds de invoering van de elektronische tijdwaarneming in 1968 nog niet vertoond. Het grootste verschil was in 1999 gerealiseerd door de Amerikaan Maurice Greene, die het wereldrecord van de Canadese olympisch kampioen van 1996 Donovan Bailey met vijfhonderdste seconde verbeterde: van 9,84 naar 9,79.

En Bolt was na afloop niet eens verbaasd. Alsof hij er een normale werkdag op kantoor had opzitten, zo reageerde de eerste Jamaicaanse wereldkampioen op de 100 meter gisteren op zijn verbluffend snelle tijd. „Ik loop niet voor wereldrecords. Maar ik denk dat het nog sneller kan. Een tijd in de 9,40? Waarom niet?”

Inderdaad, waarom niet? Als iemand het kan is het Bolt. Er staat geen maat op de Jamaicaan, die na elke verbazingwekkende race de indruk wekt nóg harder te kunnen. Hoe kan dat? Is het talent van Bolt te verklaren? Dat hij snelle spiervezels heeft, is intussen een open deur. Als er al een verklaring voor zijn supersonische races is, is het zijn techniek in combinatie met zijn lengte, maar vooral zijn volstrekte ontspannenheid.

Bolt lijkt gespeend van welke druk ook; hij is voor elke wedstrijd volkomen relaxed. De Jamaicaan maakt grappen, speelt met het publiek en de camera’s, neemt achteloos plaats in het startblok, start nooit als snelste, maar loopt vervolgens alsof alle duivels hem op de hielen zitten.

En hij oogt niet verkrampt, zoals zijn tegenstanders die zichtbaar de kracht uit hun tenen moeten halen. Alsof Bolt even een boodschap op de hoek moet doen, zo rent hij naar de finish, waar dan vervolgens een wereldtijd opflitst. Ervan uitgaande dat hij dopingvrij loopt, zijn zijn prestaties nauwelijks te bevatten.

Bolt bewijst bovendien dat lengte juist een voordeel is. Sprinten is vooral een kwestie van naar voren ‘vallen’. En de 1,96 meter lange Bolt beheerst die techniek als geen ander. Bovendien slaagt hij erin zijn snelheid lang vast te houden. Waar anderen na zestig meter tegen hun grens aanlopen, behoudt Bolt zijn snelheid, zelfs als hij de aerodynamica tart door nog voor de finishlijn zijn armen te spreiden. In Peking werd vorig jaar zijn snelheid op 43,9 kilometer per uur gemeten; sneller was nog nooit gelopen op de 100 meter.

En het mysterie wordt groter bij de wetenschap dat hij nog maar 22 jaar is – vrijdag viert hij zijn 23ste verjaardag – en als senior slechts vijftien maanden op de 100 meter uitkomt. Hij gold als een specialist op de 200 meter die door zijn trainer Glen Mills uit angst voor blessures bewust van de explosieve 100 meter werd weggehouden. Sterker, de trainer zag aanvankelijk meer heil in een combinatie van de 200 met de 400 meter, waarmee de Amerikaan Michael Johnson eind jaren tachtig, begin jaren negentig zo succesvol was.

Maar Bolt was koppig. Als oud-wereldkampioen bij de junioren had hij toch bewezen de 100 meter aan te kunnen? Bovendien voelde hij meer voor de sprint dan voor de moorddadig zware 400 meter. Pas na een verloren weddenschap met Bolt gaf Mills hem toestemming een 100 meter te lopen. Toen Bolt vorig jaar mei in zijn vierde race in New York de Amerikaan Tyson Gay versloeg en en passant het wereldrecord verbeterde, besefte ook Mills dat er geen weg terug was.

Sinds zijn explosies in het Vogelnest in Peking, waar Bolt vorig jaar drie olympische titels opfleurde met even zoveel wereldrecords, is hij de icoon van de atletiek. Hij heeft zich een status verworven die zelfs grootheden als Fanny Blankers-Koen en Carl Lewis nooit hebben bereikt. Bolts persconferentie voorafgaande aan de WK trok tweehonderd journalisten. En dan moesten er nog honderden teleurgesteld worden. Dat de sprinter weinig meer te melden had dan de aanschaf van nieuwe, oranje schoenen deerde weinig aanwezigen. Ze waren erbij. Dezelfde reactie ontstaat als Bolt het stadion binnenkomt. Je voelt een siddering door het publiek gaan. Iedereen herkent hem als de grootste meneer van zijn sport.

Hoe zit het dan met zijn tegenstanders? Tellen die nog mee? Nauwelijks, hoewel dat onterecht is. In de finale van gisteren was de Amerikaan Tyson Gay geen serieuze bedreiging voor Bolt, terwijl hij in de derde tijd ooit (9,71) naar zilver rende. Bolts landgenoot Asafa Powell haalde brons in 9,84, tot voor kort een imponerende tijd. Maar niet meer sinds Bolt een nieuwe dimensie aan de sprint heeft toegevoegd.