Kopenhagen

We arriveerden ’s middags op Luchthaven Kopenhagen terwijl de regen in sluiers neerdaalde. Deens weer, zeiden we tegen elkaar. Deze dag klaarde het niet meer op, sterker nog, het zag er naar uit dat het nooit meer zou opklaren.

Wat deden wij eigenlijk in Denemarken? Was het een wonder dat Denemarken geen geliefd oord is bij Nederlanders? Veel Frans, Duits en Engels zouden we de komende dagen om ons heen horen, nauwelijks Nederlands.

Gelukkig bleken zestien miljoen Nederlanders ook ongelijk te kunnen hebben. Het weer sloeg al de volgende dag om, en het ging daarmee door tot het op tropisch niveau was. De Denen zweetten uit al hun poriën, alleen al hun zware voedsel met dat gebraden varkensvlees, geserveerd met kool en jus, was er niet op berekend.

Goed weer heb je niet alleen aan het strand nodig, maar ook in de stad. Wij wilden vooral veel van Kopenhagen en omstreken zien, we kenden het gebied niet. De oordelen van kennissen die er wel geweest waren, liepen sterk uiteen. Saai. Weinig te zien. Verrassend. Mooi.

Halverwege onze eerste stadswandeling dacht ik: saai. Ik zei het nog niet tegen mijn vrouw, want je wilt het moreel van de troepen niet te snel aantasten. De straten waren me te recht, het leek soms wel Stadskanaal. Maar toen de zon over de stad ging schijnen en we er beter in konden doordringen, voelde ik mijn bezwaren wegsmelten.

Amsterdam begon het hier en daar te verliezen van Kopenhagen. Het mooiste van Amsterdam – de grachtengordel – is mooier dan het mooiste van Kopenhagen – de paleizen, de haven – maar het gemiddelde ligt daar hoger.

Kopenhagen heeft dwars door de stad een winkel- en wandelroute, de Stroget, een combinatie van Kalverstraat én PC Hooftstraat. Maar over de Stroget flaneer je, over de Kalverstraat schuifel je.

In Kopenhagen barst het van de musea – een Amsterdammer zal het nauwelijks kunnen geloven – die open zijn. Hou je van schilderijen? Ga naar het Statens Museum for Kunst en het erachter gelegen Hirschsprungske Samling en je krijgt er alle grote meesters te zien. Ik wilde er vooral de Deense schilders van de laatste twee eeuwen zien, zeg maar hún Israëls en Mankes. Zo zag ik schitterend werk van namen die mij onbekend waren: Peder S. Kroyer, Vilhelm Hammershoi, Constantin Hansen.

Paleizen? Ga vooral naar Christiansborg Slot als je wilt zien hoe moderne vorsten werken (koningin Margrethe heeft er een troon waar ze nooit op wil zitten), en ga naar Rosenborg Slot en Amalienborg Slot voor de oude vorsten.

Moderne architectuur? Ze hebben aan het water van de Sont, tegenover elkaar gelegen, een prachtig nieuw Operagebouw en Toneeltheater.

Uitrusten van al dit schoons kan in een van de mooie parken van Kopenhagen. Geen modderpoelen, geen hondendrollen, geen voetballers. Geen Vondelpark dus. Het park nog als paradijs in de zon.

Minpunten? Kopenhagen is duur, zeker in de horeca duurder dan Amsterdam, en de twee bekendste toeristenattracties, Tivoli (de kermis) en Christiania (de voormalige commune) maakten voor mij hun faam niet waar. Op de kermis zag ik te veel vretende mensen en in de commune te veel tandeloze, tachtigjarige hippies.