Het theater van de algehele vernietiging

De Columbine-moordenaars pleegden de moorden uit puur persoonlijke motieven.

Ze zagen zichzelf als acteurs in een door henzelf geschreven drama.

Meteen na de slachtpartij die Eric Harris en Dylan Klebold op 20 april 1999 op hun school Columbine aanrichtten – 15 doden, daders inbegrepen, en meer dan twintig zwaargewonden – kwamen de verhalen los. De leeftijd van de jongens en de onbegrijpelijkheid van hun actie gaven aan dat dit niet zomaar een moordaanslag kon zijn geweest. Evangelische christenen zagen er de hand van Satan in, gematigde predikanten noemden het een tragedie en riepen op tot algemene liefde en vergiffenis. Progressieve beschouwers zagen de moordenaars als slachtoffers van pesterijen en uitsluiting door ongevoelige medescholieren.

De neiging om een passend verhaal te maken van een onvoorstelbare gebeurtenis is het onderliggende thema van Columbine, een magnifieke reconstructie van de Amerikaanse journalist Dave Cullen. Wat Columbine betreft, behoorde Cullen tot de verslaggevers van het eerste uur: hij was erbij toen het grote gissen begon en de misvattingen zich verspreidden van Colorado over de hele wereld. Dat geeft zijn boek een dubbel perspectief: het leest als een verslag van iemand die dicht op de gebeurtenissen zit, tegelijkertijd zie je het drama door de ogen van iemand die gedegen onderzoek heeft gedaan en in staat is van flinke afstand te beschrijven wat er nu werkelijk is gebeurd.

Veel van de verhalen die na de aanslag de ronde deden, zijn later door officiële instanties ontkracht, maar ze zijn er niet minder hardnekkig om gebleken. Allereerst de aard van de slachtpartij: de jongens hadden geen specifieke slachtoffers in gedachten. Ze streefden een algehele vernietiging na. Hun actie was bedoeld als een aanslag in de geest van de bomaanslag die Timothy McVeigh vier jaar eerder in Oklahoma pleegde.

Het was de bedoeling dat zelfgemaakte bommen het schoolgebouw zouden wegvagen; er moesten honderden slachtoffers vallen. De geweren waren bedoeld om vluchtende leerlingen te doden. Pas toen geen van de zelf geknutselde bommen afging, begon het schieten in de school, de killing spree, waarbij weggedoken leerlingen willekeurig werden neergelegd – of gespaard. In zijn reconstructie laat Cullen zien dat alle slachtoffers in de eerste twintig minuten werden gemaakt. Daarna liepen de jongens doelloos in het schoolgebouw rond, wachtend op de politie die hen volgens plan zou moeten doden. Toen de dodelijke kogels uitbleven, pleegden ze zelfmoord.

De aard van de aanslag legt ook andere motieven bloot dan die in de media breed zijn uitgemeten. De jongens waren niet bijzonder impopulair, geen bespotte outcasts die in stilte op wraak zonnen. Eric Harris was een charmeur bij uitstek. Cullen ziet in hem een psychopaat: innemend, leugenachtig, narcistisch, ongevoelig tot op het bot. Harris haatte sommige mensen meer dan anderen – zwarten en latino’s, homo’s en vrouwen – maar in laatste instantie haatte hij alle mensen. Hij zag zichzelf als een god, oneindig superieur.

Dylan Klebold daarentegen werd verteerd door zelfhaat. Cullen ziet diens jeugd als één lange voorbereiding op zelfmoord; het is zijn vriendschap met Eric, en de onderwerping aan diens dominante persoonlijkheid, die hem tot moorden aanzet. Keer op keer onderstreept Cullen dat de jonge moordenaars totaal verschillende persoonlijkheden hadden, en dus ook verschillende motieven. Eric was de aanjager, Dylan de meeloper. Tijdens de aanslag schoot hij amper.

Dat de twee jongens zich ogenschijnlijk sociaal konden handhaven, moet een van de redenen zijn geweest dat hun omgeving ziende blind was voor aanwijzingen dat er iets ernstig mis was. Bovendien, laat het boek zien, bestond er opvallend veel overloop tussen de geestgesteldheid van de jongens en hun omgeving. In hun hang naar nihilistische muziek en gewelddadige videospelletjes onderscheidden ze zich niet van hun medescholieren – zelfs hun fascinatie voor wapens werd breed gedeeld. Maar Cullen toont ook aan dat er steeds mensen zijn geweest die aan de bel hebben getrokken. De ouders van een schoolvriend waarschuwden meerdere keren de politie wegens de bedreigingen die Harris op zijn website jegens hun zoon uitte. Een lerares ging met een buitensporig gewelddadig opstel van Klebold naar zijn ouders en de schoolleiding. Er lag zelfs een bevel tot huiszoeking bij de familie Harris klaar. Naderhand probeerden de verantwoordelijken de sporen van hun nalatigheid uit te wissen. Cullen constateert een heuse doofpotaffaire.

Terwijl de jongens hun Judgement Day voorbereidden en zich voor de videocamera en in dagboeken uitleefden in vernietigingsfantasieën, volgden ze braaf een reïntegratieprogramma dat ze gedwongen waren te doorlopen na een autokraak. Beiden gedroegen zich voorbeeldig. Vooral Harris schiep er een genoegen in de mensen op wie hij neerkeek op het verkeerde been te zetten.

De kracht van Columbine is dat het hele drama erin beschreven wordt; Cullen beschrijft de gebeurtenissen zowel door de ogen van de daders als door die van de slachtoffers. Hij laat zien hoe de gemeenschap rondom de school het drama beleefde en uiteindelijk verwerkte. Hij staat stil bij de moeizame revalidatie van de gewonde scholieren, de soms agressieve radeloosheid van de ouders, de verslagenheid van het schoolhoofd. Je merkt dat de auteur zich verantwoordelijk voelt jegens de nabestaanden; hier en daar loopt hij merkbaar op eieren, op andere momenten verliest hij zich in sentimentaliteit, wat opvalt in een verder afgewogen boek.

Een betere reconstructie van het drama is niet denkbaar. Aan één belangrijk punt gaat Cullen, die meer beschrijft dan duidt, echter voorbij: de beide jongens wilden een terroristische aanslag plegen uit zuiver persoonlijke motieven. Dat was nieuw, en in eerste instantie onbegrijpelijk. Maar juist die combinatie van gekrenkt narcisme en een alles verterende haat tegen de maatschappij zou verder onderzocht moeten worden. Van de terrorisme-expert Mark Juergensmeyer leent Cullen het begrip performance violence, dat essentieel voor terrorisme zou zijn: het bewust theatraal ensceneren van geweld. Harris en Klebold zagen zichzelf ook als acteurs in een door henzelf geschreven drama; ze waren zich bewust van het oog van de buitenwereld en speculeerden vooraf over wat hun daad in de media zou losmaken. Ze wilden zowel vernietigen als gezien worden. Er was geen politiek motief.

Dave Cullen: Columbine. Old Street Publishing, 417 blz. € 13,99