'Ze werden niet verliefd op mij'

Manon Beukema toe Water-Peyrot (1927) reisde als kind de hele wereld over. ‘Het feit dat ik meerdere talen sprak maakte indruk.’

‘Ik ben een vreemde eend in de bijt. Ik heb nooit ergens bij gehoord. Alleen al het feit dat ik met zoveel plezier als architect gewerkt heb, hoofdzakelijk voor publieke werken in Amsterdam, is uitzonderlijk. Veel mensen werken toch vooral om geld te verdienen.

„Mijn eerste jaren heb ik doorgebracht op Java en op het eiland Billiton, waar mijn vader werkte als ingenieur. Op mijn negende ging ik met mijn broer naar Nederland. Hij was twaalf en moest naar de middelbare school, maar hij verdomde het om alleen uit Indië weg te gaan. Als doekje voor het bloeden werd ik met hem meegestuurd. Onder westerse expats was het gangbaar om de kinderen uit huis te plaatsen als dat beter was voor de opvoeding.

„Nederland was een cultuurschok van jewelste. Ik was dyslectisch, maar dat werd toen nog niet herkend, dus was ik ‘dat domme kind uit Indië dat niet kan spellen en dat niet weet waar Lutjebroek ligt’. Ik had heimwee naar alles, naar de warmte, een schoon lijf, leven zonder jas. Ons eerste gastgezin was geen succes. Ik moest een klas doubleren, we verhuisden een paar keer, en na de lagere school luidde het advies: de huishoudschool. Nou, ik vind koken leuk, maar …

„Mijn vader had al vroeg in de gaten dat ik intelligent was, en volstrekt technisch. Ik speelde het liefst met mijn broer met de stoommachine en met Meccano. Mijn poppen pakte ik maar af en toe. In 1939 kwamen mijn ouders naar Nederland, en toen heeft mijn vader ervoor gezorgd dat ik naar het Amsterdams Lyceum kon, waar onder leiding van oprichter Gunning een ander soort onderwijs gegeven werd. Daar heb ik een paar gelukkige maanden gezeten en toen vertrokken we weer, dit keer als gezin. Het plan was om in twee jaar via Zwitserland en de Verenigde Staten terug naar Indië te reizen. Door de oorlog in Azië zijn we blijven steken in Amerika.

„We kwamen terecht in Westchester County, een soort Wassenaar van de stad New York. Ik moest een nieuwe vriendenkring opbouwen – dat krijg je als je zo door je schooltijd bent gehuppeld als ik. Naar Amerikaanse maatstaven was ik extreem lang. Als tienermeisje word je daar geacht cute te zijn, en ik zat aan het andere eind van de schaal. Maar het feit dat ik meerdere talen sprak maakte indruk, en op school kreeg ik alle kansen. Bij de exacte vakken voelde ik me als een vis in het water. Ik haalde mijn achterstand in en kon op mijn zestiende naar een technische universiteit. Ik koos voor bouwkunde aan Cornell University. Dat leek me fijn.

„Deze foto moet mijn vader hebben gemaakt toen hij me in mijn eerste studiejaar kwam opzoeken. Op de achtergrond zie je de universiteitsgebouwen. Ik was gelukkig als studente. Ik had vriendinnen, maar doordat veel meisjes de studie te zwaar vonden en voortijdig afhaakten, ging ik steeds meer met jongens om. Vanaf 1945 kwamen er veel veteranen naar Cornell die na terugkeer van het front hun studie hervatten. Zij waren ouder, 23 tot 25. Onder hen vond ik ook goeie vrienden. Ze werden niet verliefd op me – ik was one of the boys. Ze wisten wat ze aan me hadden.

„Op een warme dag wilden de meisjes gaan zwemmen in het meer. Ik stond al klaar om voor één keertje te spijbelen en met ze mee te gaan, toen een van de veteranen zei: ‘Wát? We hebben staalconstructie!’ Hij tilde me op, gooide me over zijn schouder en droeg me zo de collegezaal in. ‘Manon wilde gaan zwemmen’, zei hij tegen de prof. ‘Maar ik kan niet zonder haar aantekeningen’.”

Namen, jaren, locaties buitelen over elkaar heen. Haar hofjeswoning getuigt van honger naar nog meer kennis: kranten, boeken, dvd’s. Ze verheugt zich op de komst van haar nichtje. Haar ogen twinkelen.

Heeft u een suggestie voor een familiefoto met verhaal?

Mail naar weekblad@nrc.nl