Straf voor officier na blunder blijft geheim

Spelen aanklagers vals? Wetenschappers over advocaten en officieren die elkaar zwartmaken . „Hoe meer de overheid met verklikkers werkt, hoe meer de verhoudingen verzuren.”

Beweer niet dat justitie haar eigen fouten altijd achterhoudt. Op 8 augustus 2007 bepleitte het Openbaar Ministerie (OM) voor de Arnhemse rechtbank zijn eigen niet-ontvankelijkheid. In een verkrachtingszaak waren fouten gemaakt met het proces-verbaal: ontlastende verklaringen ontbraken, het verhoor was bijzonder vooringenomen en het proces-verbaal bevatte volzinnen die nooit uit de mond van de verdachte konden komen.

Op de zitting erkende de officier van justitie zijn falen. Hij gaf uit eigen beweging toe dat „de belangen van verdachte op grove wijze [zijn] veronachtzaamd en hem te kort [is] gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak”. De rechter moest wel instemmen. De verdachte ging vrijuit.

Het is in de afgelopen tweeënhalf jaar tenminste zeventien keer voorgekomen dat de rechter het OM heeft gewezen op ernstige fouten in de rechtsgang (zie inzet). Een blunderende officier die zijn fout grootmoedig toegeeft, blijkt een uitzondering. Vaker komt de rechter tot het oordeel van niet-ontvankelijkheid nadat advocaten hebben aangetoond dat de officier van justitie heeft vals gespeeld.

Vooral het vrijuit gaan van de Hells Angels op 20 december 2007 kreeg veel aandacht. Het bleek de eerste van een reeks zaken waarin het OM had nagelaten om geheime gesprekken tussen advocaten en hun cliënten te vernietigen. Het OM werd niet-ontvankelijk verklaard, verdachten van zware criminaliteit belandden op straat en het vonnis joeg de Staat op kosten.

De baas van het OM, procureur-generaal Harm Brouwer kondigde dit voorjaar maatregelen aan om zulke blunders in de toekomst te voorkomen. Intussen blijven advocaten officieren in de media aan de schandpaal nagelen. Tot ergernis van Brouwer, die de deken van de advocatenorde om uitleg vroeg.

De ruzie tussen advocaten en officieren verhardt, constateert Ybo Buruma, hoogleraar strafrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. „En naarmate de overheid meer met anonieme verklikkers gaat werken, zullen de verhoudingen steeds meer verzuren.”

Het gaat hier volgens Buruma om een ruzie tussen „een selecte groep officieren en strafpleiters”. Tussen degenen die optreden in zaken die gaan over zware, georganiseerde criminaliteit en terrorisme. In die strafpraktijk ontbreekt openheid, bijvoorbeeld over de opsporingsmethoden. En dat, zegt Buruma, is „de zuurstof voor het steeds oplaaiende brandje. Die wereld is doortrokken van roddel, achterklap, geruchten en verklikkers. Daardoor zijn er bij politie en justitie onverkwikkelijke dingen gebeurd en vinden er strafrechtelijke ongelukken plaats. Zo betichtte het OM advocaat Meijering in de Hells Angels-zaak ten onrechte van vals spel. Meppen de advocaten terug, door officier Plooy te beschimpen. En nu springt diens baas voor zijn mannen.”

Je kunt er ook op een andere manier tegen aankijken, zegt hoogleraar rechtspsychologie Peter van Koppen van de Universiteit Maastricht. „Een officier van justitie is in de eerste plaats een publieke functionaris. Als hij een fout maakt, moet dat worden afgerekend. Pas als het OM de rotte appels eruit haalt, kun je ervan uitgaan dat de gemiddelde officier van justitie deugt.” Brouwer, zegt Van Koppen, neemt het op voor zijn personeel. „Hoe vaak wordt er iemand uitgegooid? Nooit. Dat hoeft niet bij één foutje. Maar nooit afrekenen is ook niet goed.”

Anders dan advocaten kennen officieren geen openbaar tuchtrecht. En het OM legt over haar integriteitsbeleid geen publieke verantwoording af. Wat gebeurt er met officieren die een tik op de vingers hebben gekregen van de rechter? Krijgen ze straf van het OM? Of blijven interne maatregelen uit en worden ze weggepromoveerd tot rechter?

Voormalig fraudeofficier van justitie Henk de Graaff is nu vicepresident van de Haagse rechtbank. Hij leidde Operatie Clickfonds, het beursfraudeonderzoek waarbij het OM in een deel van de strafzaak niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank noemde de handelswijze van justitie „schadelijk voor de strafrechtspleging in het algemeen”. Eerder deze week berichtte Vrij Nederland dat ook andere officieren van justitie en advocaten-generaal die het rechtsysteem in diskrediet brachten, rechter werden. Bernadette Edelhauser en Mariëtte Renckens van de Schiedamse Parkmoord, Rolf de Groot en Annemieke Zwaneveld van de Iglo-drugszaak en Lex Mooy in een valsgeldzaak.

Die overstap naar de rechtbank zou niet moeten kunnen, schrijft strafpleiter Jan Boone aan deken Willem Bekkers van de Nederlandse Orde van Advocaten. Zeker niet voor officieren die door de rechter zijn terecht gewezen. In een toelichting: „Als officieren met een vlekje rechter worden, worden het rechters met een vlekje. Ze hebben bewezen niet te deugen.”

„Wij gaan niet over het wervingsbeleid van de rechtspraak”, reageert de woordvoerder van procureur-generaal Brouwer. Als een officier ernstige fouten maakt, zegt zij, volgen disciplinaire maatregelen. Berisping, schorsing, een andere functie of in het zwaarste geval (voorwaardelijk) ontslag. „Maar we maken onze sancties niet openbaar. We plaatsen een officier niet op de mestkar. Daarmee is niemand gediend. Het wordt al als een grote straf gevoeld als een officier van justitie van een zaak wordt afgehaald of een bepaald type zaken niet meer mag doen.”

Intussen rijst de vraag: en nu?

Het is niet voor het eerst dat de spanning tussen advocaten en strafpleiters oploopt. Ook in de jaren tachtig en negentig gingen advocaten en officieren, in de woorden van Buruma, „rollend door de rechtszaal”. Het recept tegen zwartmaken, beledigen en beschadigen was: samenkomen. Praten kalmeert. Niet voor altijd, dan nog tenminste voor een paar jaar. Zowel in 1999 als in 2006 organiseerden magistraten en advocaten samen een conferentie over ‘polarisatie in de rechtszaal’. Om de verhoudingen in de rechtszaal opnieuw te ijken, waartoe Harm Brouwer ook nu oproept.

Advocaat Jan Boone wil daarvan niets van weten. Hij verklaarde zich deze week tot „ een tegenstander van het negentiende-eeuwse denken, dat een advocaat het rechtsysteem moet dienen”. Rechtspsycholoog Van Koppen is geschrokken van die uitspraak. „Mijn vader trad als advocaat wel degelijk op in het belang van de waarheidsvinding. Nu zetten advocaten het belang van hun cliënt voorop. Dat is niet altijd goed.”

Het is, zegt Van Koppen, ook jammer voor advocaten zelf dat ze geen prioriteit geven aan de waarheidsvinding. „Een enkele keer winnen ze er misschien een zaak mee, maar over het geheel genomen maakt het hen minder geloofwaardig. Dat zien rechters ook.”

Uiteindelijk, zegt Buruma, is de oproep van Brouwer aan advocaten en officieren om met elkaar te praten zo gek nog niet. „Nee, dat is geen negentiende-eeuwse praktijk. Het is de enige manier om hier uit te komen. Uiteindelijk zijn de rechtsstaat en het rechtsgevoel van de burgers hiervan de dupe. De rechtsstaat moet worden beschermd tegen zwaar georganiseerde criminelen en terroristen.”