Kremlin verliest greep op Noord-Kaukasus

Separatisten en militante moslims maken van de Kaukasus een kruitvat, zegt Moskou. Maar het is juist de armoede, corruptie en de terreur van de autoriteiten die tot verzet leiden.

Op de Noord-Kaukasus sluimert een burgeroorlog en heeft het Kremlin al zijn gezag verloren. Er gaat geen dag voorbij of in Dagestan, Tsjetsjenië, Ingoesjetië, Kabardino-Balkarië of Karatsjajevo-Tsjerkessië wordt iemand vermoord: een politieman, een rechter, een minister, een burger, een journalist, een rebel. De Russische pers schenkt er amper aandacht aan.

In Tsjetsjenië is het aantal ontvoeringen de afgelopen maanden zo drastisch gestegen dat niemand zich nog veilig waant. Mensenrechtenorganisatie Memorial heeft zich na de recente moord op mensenrechtenactivist Natalia Estemirova uit de Russische deelrepubliek teruggetrokken. Hierdoor is er niemand meer die de knokploegen van president Kadyrov kritiseert, die als de voornaamste aanstichters van het geweld worden gezien.

In het naburige Ingoesjetië signaleren medewerkers van ngo’s als Artsen zonder Grenzen een toenemende gezagloosheid sinds de mislukte moordaanslag op president Jevkoerov. „Bij wegblokkades zijn gemaskerde regeringstroepen niet meer van rebellen te onderscheiden, waardoor je niet weet waar je aan toe bent”, zegt een van hen. „Dat maakt de situatie gevaarlijker dan ooit.”

De Ingoesjeetse president Jevkoerov, die sinds zijn benoeming in oktober 2008 zeer succesvol was in het bestrijden van de overheidscorruptie, de werkloosheid en de aanvallen van de rebellen op politie en leger, heeft begin deze week het ziekenhuis verlaten. Als enige leider op de Noord-Kaukasus heeft hij de oorzaken van de bestuurscrisis in de streek onderkend: de wijdverbreide armoede, versterkt door diepgewortelde corruptie. Als gevolg daarvan, en niet van de militante islamitische propaganda, zouden veel jongeren zich aansluiten bij de rebellen. Mensenrechtenactivisten op de hele Noord-Kaukasus voegen daar nog een factor aan toe: het gewelddadig optreden van de overheid bij het bestrijden van die rebellie, die lokale bewoners aanmoedigt zich aan te sluiten bij de rebellen.

Duidelijk is dat de lokale antiterreuroperaties van de afgelopen zes jaar tegen verdachten van rebellie alleen maar contraproductief zijn geweest, aangezien de meeste slachtoffers bij nader inzien onschuldige burgers bleken. Tsjetsjenië is daar het meest extreme voorbeeld van. Kadyrovs knokploegen arresteren en ontvoeren iedereen die ook maar de geringste verdenking van banden met rebellen op zich heeft geladen. Ze worden vermoord of gemarteld, hun familie gearresteerd, hun huis in de brand gestoken, hun vrouwen verkracht. Het zijn draconische maatregelen die de haat tegen het regime alleen maar vergroten.

In Kabardino-Balkarië, Karatsjajevo-Tsjerkessië en Zuid-Dagestan is het willekeurige en disproportionele overheidsgeweld tegen gewone burgers en vrome, niet-militante jonge moslims de belangrijkste factor voor de opkomst van nieuwe militante groeperingen. Zoals de Ingoesjeetse oppositieleider Magomed Chazbijes onlangs op radio Echo Moskvy zei: „Zolang de veiligheidstroepen en de doodscommando’s huizen binnendringen en knapen aanhouden die vervolgens zonder een spoor achter te laten verdwijnen, zolang ze jonge mannen op klaarlichte dag op straat neerschieten, zal er geen einde komen aan het geweld. Er zullen tegenaanvallen komen, explosies, terreuracties, jonge mensen zullen naar de bossen vluchten om zich bij het verzet aan te sluiten.” De oud-president van Ingoesjetië en Afghanistanveteraan Roeslan Ausjev vergeleek het overheidsoptreden op de Noord-Kaukasus onlangs in een interview met de strategie waarmee de Sovjet-Unie de opkomst van de Talibaan in Afghanistan onbewust heeft gestimuleerd.

Een andere bepalende factor die tot een drastische groei van het geweld op de Noord-Kaukasus heeft geleid, is de economische crisis. Moskou heeft het afgelopen jaar steeds minder geld naar het gebied gestuurd. Het geld dat er heen ging, verdween in de zakken van de lokale bestuurders. De werkloosheid en de armoedebestrijding zijn door die diefstal en de ermee gepaard gaande corruptie drastisch toegenomen. In een combinatie van uitzichtloosheid, verveling en haat tegen de overheid sluiten jongeren zich dan gemakkelijk aan bij de rebellen. „We zijn in een doodlopende steeg beland”, zegt de Kaukasusspecialist Aleksej Malasjenko van het Carnegie Moskou Centrum. „Met meer overheidsgeweld bereik je niets.”

De enige die op de korte termijn van de situatie lijkt te profiteren is de Tsjetsjeense president Ramzan Kadyrov, die sinds mei zijn tegenstanders radicaler dan ooit tevoren uitroeit, zowel in eigen land als in Ingoesjetië. Zijn vergeefse oproep, eind mei, aan Dagestan om zijn politie- en veiligheidstroepen te laten samenwerken met die van Ingoesjetië en Tsjetsjenië wijst op de machtsambities van de Tsjetsjeense leider om het in de hele Noord-Kaukasus voor het zeggen te krijgen. Hij kan het zich permitteren zolang het Kremlin hem zijn gang laat gaan.

Dat het Kremlin Kadyrov vooralsnog geen wettelijke basis heeft verleend voor zijn machtsuitbreiding op de Noord-Kaukasus is het enige positieve dat nu kan worden waargenomen. Maar daarachter kunnen wel eens andere bedoelingen schuilen. Want sinds de Russische president Medvedev een wetsvoorstel heeft ingediend dat Rusland in staat stelt buurlanden binnen te vallen als zijn belangen worden bedreigd, zou het Kremlin wel eens andere plannen met Kadyrov kunnen hebben.

Volgens de Russische strijdkrachten gebruiken Tsjetsjeense rebellen namelijk wederom de Georgische Pankisi-kloof als uitvalsbasis voor hun acties in Tsjetsjenië. Die constatering zou een aanleiding kunnen zijn om in de nabije toekomst Georgië binnen te vallen.

Kadyrov zelf nam op 23 juni al het voortouw, toen hij in een interview zei bereid te zijn in buurlanden de orde te herstellen als van daaruit zou worden geprobeerd Rusland te vernietigen. De beloning die hij dan alsnog kan opeisen is niet gering: de heerschappij over de hele Noord-Kaukasus.