Karzai kan niet zonder krijgsheren

President Karzai hoopt donderdag herkozen te worden als president van Afghanistan. In het noorden heeft hij geen gezag. Zeven jaar lang liet hij er de gevreesde krijgsheren hun gang gaan.

Zafto Wardak hoefde nog maar een jaar pacht te betalen voor hij eigenaar zou zijn van de grond die zijn vader al jarenlang bewerkt had. „Ik was een rijke boer”, zegt hij glimlachend in zijn huis in Gultapah, een dorp van enkele tientallen boerderijen in de Noord-Afghaanse provincie Saripul. Wardak is 62, maar je zou zijn broze, gekrompen lichaam eerder tachtig schatten. Op een mat in een hoekje van zijn woonkamer vertelt hij hoe hij zeventien jaar geleden zijn land verloor aan de Oezbeekse krijgsheer generaal Dostum.

„Zijn strijders kwamen aan de deur zeggen dat al het overheidsland voortaan voor Oezbeken was. Ik stuurde ze weg, maar ze kwamen terug. Als je niet vertrekt, doden we jou en je vee, zeiden ze, we zullen je vrouw verdrinken. Ze sloegen het huis kort en klein.”

De familie Wardak is Pashtun, de etnische groep die dominant is in het zuiden van Afghanistan, maar in het noorden een minderheid vormt. „We moesten toelaten hoe Oezbeken die van buiten het dorp kwamen op ons land werkten. We mochten onszelf niet eens als dagloner aan hen verhuren.”

Zafto Wardak kon zijn familie niet meer onderhouden. Een half jaar later was hij blind. „Ik kon de schaamte niet verdragen”, zegt hij. Naar de rechter stappen bleek zinloos. „Die vroeg alleen geld, maar hij deed niets. Hij was aangesteld door Dostum, net als alle andere belangrijke personen.”

Vijf jaar geleden vroeg de familie president Hamid Karzai om hulp. Die liet de zaak onderzoeken en gaf Dostum opdracht het land terug te geven. Dostum beloofde dat, maar deed het niet. „Niemand accepteert het gezag van Karzai hier”, zegt Wardak.

Juist om die reden steunen veel van de krijgsheren de president bij de verkiezingen van donderdag, denken veel Afghanen. Karzai heeft ze in de zeven jaar dat hij president was hun gang laten gaan in hun rijkjes in het noorden van het land. Zij zijn nooit ter verantwoording geroepen voor hun mensenrechtenschendingen tijdens de burgeroorlog of het daaropvolgende Talibaan-bewind.

Mensenrechtenorganisaties beschuldigen Dostum er bijvoorbeeld van dat hij in 2001 honderden gevangengenomen Talibaanstrijders in zeecontainers heeft opgesloten om ze daarin te laten stikken of doodschieten. Nu schaart hij zich achter Karzai in de verwachting dat die de verkiezingen wint en de status quo gehandhaafd kan blijven.

De president zoekt die steun ook zelf op. De internationale gemeenschap reageerde geschokt toen Karzai in mei de Tadzjiekse krijgsheer Qasim Fahim als zijn kandidaat voor het eerste vicepresidentschap koos. Fahim zou nog altijd betrokken zijn bij allerlei criminele activiteiten, waaronder de ontvoering van buitenlanders voor losgeld. Bij de vorige verkiezingen, in 2004, lukte het de Verenigde Staten om Karzai te overtuigen Fahim niet te kiezen.

„Deze keer heeft Karzai alle steun nodig die hij kan krijgen”, zegt een analist in Kabul, die om veiligheidsredenen anoniem wil blijven. „Hij steunt op Fahim voor de stemmen van de Tadzjieken, op Dostum voor die van de Oezbeken, op Khalili en Mohaqiq voor die van de Hazara’s.” Khalili is Karzais kandidaat voor het tweede vicepresidentschap, Mohaqiq is parlementslid.

Karzai staat zwak, omdat hij er de afgelopen jaren niet in is geslaagd om een coherente, functionerende regering te vormen, zegt de analist. Afghanen zijn teleurgesteld over de corruptie bij de overheid en de verslechterde veiligheid. „Het ontbreekt hem ook aan een visie voor de toekomst. In zijn verkiezingscampagne gebruikt hij alleen holle leuzen, zoals: onderwijs is voor iedereen, en: gerechtigheid is een voorwaarde voor vrede. Ik vraag dan: heb je ook een plan om dat uit te voeren en laten je handelingen dat zien?”

Westerse landen hebben in de jaren na de val van het Talibaan-regime geen bezwaar gemaakt tegen Karzais banden met de krijgsheren, omdat die konden helpen de Talibaan uit het noorden weg te houden. Dat is tot op zekere hoogte gelukt; de noordelijke provincies zijn aanzienlijk rustiger gebleven dan die in het zuiden. De keerzijde is dat die banden de ontwikkeling van de nieuwe staat hebben ondermijnd; in ruil voor steun bij de verkiezingen heeft Karzai de krijgsheren gouverneursposten, ministeries en zelfs nieuwe provincies beloofd.

„Ik weet dat het niet de goede weg is, maar we hebben geen andere keus dan ze te omarmen”, zegt Golalai Nur Safi in haar huis in de noordelijke stad Mazar-i-Sharif. Ze is lid van het parlement en steunt de president. „Binnen de regering kunnen ze minder kwaad dan daarbuiten.”

Op de vraag of zo de corruptie niet in stand wordt gehouden, schiet ze in de lach. „Laat ze het geld maar stelen”, zegt ze, „zolang ze maar geen geweld gebruiken. Zolang ze krijgen wat ze willen, is alles in orde.” Haar mening over Karzai: „Ondanks zijn fouten blijft hij de beste keus. Hij probeert nu eenmaal iedereen te vriend te houden. Een zes is goed genoeg.”

Karzai zelf zegt dat hij Fahim en Khalili als kandidaten voor het vicepresidentschap heeft gekozen om de etnische groepen in het land te verenigen. Hij verdedigt die keuze door erop te wijzen dat zij nooit zijn veroordeeld. „Dat is wel een makkelijk excuus”, vindt Aziz Hakimi. Hij heeft als politiek adviseur van de president gewerkt, maar nam na vier maanden gedesillusioneerd ontslag.

Nu werkt hij voor een internationale hulporganisatie. „Karzai heeft zelf de verantwoordelijkheid laten liggen om een onafhankelijke rechtspraak op te bouwen. Als dat niet alsnog gebeurt, blijven we elke vijf jaar dit debat houden.”

Volgens Hakimi sluiten het „autocratische en corrupte patronagesysteem” van Afghanistan en de democratie die na de val van de Talibaan werd geïntroduceerd elkaar uit. „We hebben in onze grondwet een duidelijke keuze voor democratie gemaakt en daar moeten we ons aan houden. We kunnen niet toestaan dat Karzai blijft leunen op zijn tribale netwerk en de krijgsheren die steden hebben vernietigd, die hebben gemoord en verminkt en verkracht.”

Hakimi vertelt hoe hij vorige maand met een groep jonge Afghanen bij Karzai op bezoek is gegaan om hem te vragen Fahim en Khalili te laten vallen. „Hij bevestigde waar we al bang voor waren. Hij zei dat hij vreesde dat Fahim voor problemen zou zorgen. We vroegen hem ook waarom hij geen politieke partij heeft opgericht die hem kan steunen. Daarop was zijn antwoord dat hij dat te ingewikkeld vindt.”

Karzai heerst over het presidentiële paleis als „een eenzame koning”, zegt Hakimi. „Beleid wordt gemaakt naar zijn persoonlijke smaak, zonder een degelijk politiek proces. Zijn kliek van adviseurs probeert hem tevreden te houden en isoleert hem steeds verder.

„Zo kunnen ze hem adviseren wat ze willen. Omdat zij zijn enige bron zijn, moet hij hen wel geloven. Zijn regering functioneert als een klassieke hofhouding. Ondertussen verkoopt hij de staat aan de hoogste bieder.”