'Het pimpernelmannetje denkt maar aan één ding'

Natuurbeschermers, wie zijn zij? Irma Wynhoff waakt over het pimpernelblauwtje.

Hier is het. Dit is de bijenwei in het natuurgebied De Moerputten bij Den Bosch, waar bijna twintig jaar geleden het in Nederland uitgestorven pimpernelblauwtje werd uitgezet. De plaats waar Irma Wynhoff elk jaar terugkeert om te kijken hoe het de vlinders vergaat. De plaats ook waar zij vijf jaar na de herintroductie op een hete zomerdag ontdekte dat vrijwel alle honderd vlinders verdwenen waren.

Een „traumaatje” noemt ze dat moment. „Toen ik hier ’s ochtends aankwam, was alles plat gemaaid. Ik dacht: dit kan niet waar zijn. Een tijdelijke kracht had gemaaid zonder te weten dat hier vlinders zaten. Ik heb zijn baas gebeld. Ik zei hem dat hij voor de veiligheid eerst moest gaan zitten om wat ik hem zou gaan vertellen. Nee, hij wist het nog niet. Het was een totale opdoffer.”

Niet alle pimpernelblauwtjes waren vernietigd. Een jaar later bleken toch weer honderd vlinders te zijn geteld. Sindsdien is het beter gegaan. De populatie klom naar tweeduizend, dankzij maatregelen zoals het afplaggen van stukken grond, en zakte daarna naar een min of meer stabiel aantal van twaalfhonderd. Hoeveel het er dit jaar zijn, is Irma Wynhoff vandaag aan het uitzoeken, samen met studente Hanneke. Ze vangen zo veel mogelijk vlinders om ze door het net heen met een stift van stippen te voorzien. Later worden ze teruggevangen en kan aan de hand van de verhouding gemerkte en ongemerkte vlinders de populatiegrootte worden bepaald.

Irma Wynhoff zit op de bijenwei, tussen de kevers en de sprinkhanen. Vertelt over haar wetenschappelijke carrière. Ze is gepromoveerd op de herintroductie van het pimpernelblauwtje in Nederland, voor haar een „gouden kans” om het gedrag van deze vlinder in een nieuwe omgeving te observeren. „Ik ben Duitse van geboorte. Ik ben perfectionistisch. Ik wil niet zomaar vlinders uitzetten en dan maar zien wat ervan komt. Ik wil precies weten wat er gebeurt.”

Ze vertelt hoe ze in vlinders geïnteresseerd raakte. „Ik was bioloog. Ik dacht dat vegetatiekunde mijn ding was. Tot ik ontdekte dat wie zich met vlinders bezighoudt, zich eigenlijk met álles bezighoudt. Plantkunde, dierecologie en aquatische ecologie komen samen. Lekker complex, alsof je een puzzel legt. En ik houd van de zon. Het gaat kriebelen als de zon schijnt. Ik ben een mooiweerbioloog.”

Volgt het verhaal van het ongelooflijke leven van een pimpernelblauwtje. Irma Wynhoff beziet vertederd het kalme gefladder van een vrouwtje dat op haar favoriete plant gaat zitten, de grote pimpernel, om het achterlijfje tussen de bloemknoppen te wurmen en daar een eitje af te zetten. Als de eitjes op deze waardplanten zijn uitgekomen, voeden de rupsjes zich met de bloemzaden.

De pimpernel groeit in de directe omgeving van nesten van de moerassteekmier. Dat is een voorwaarde om te overleven. „De vlinders hebben zich totaal aangepast aan deze ene mierensoort. Zonder die mieren zijn ze nergens. En het luistert heel nauw.”

Fascinerend, want let nu op. Na drie weken laat de rups zich op de grond zakken. Met achterlating van een huid die ze hebben afgelegd. „Dat is zo leuk om te zien. Ligt er een soort truitje tussen de bloemetjes.” De mieren verkeren in de veronderstelling dat de rups op de grond een prachtige mierenlarf is. „Ze denken dat ze een kind kwijt zijn geraakt en nemen dat mee.” Dat komt doordat de rups een suikerhoudende secretie produceert die mieren oplikken en door hun geur houden ze de rups voor een soortgenoot. „De rups breekt in bij het communicatiesysteem van de mier die via de geur soorten uit elkaar houdt. Je zou de rups een hacker kunnen noemen.” Dat de rups veel groter is dan wat de mieren gewend zijn, wekt geen argwaan. „De mieren denken juist dat ze hier een zeer waardevolle larf te pakken hebben.”

Irma Wynhoff laat foto’s zien van een nest waarin de rups door de mieren wordt vertroeteld. Terwijl intussen de rups zowat alle larven in het mierennest opeet, door ze met een soort capuchon te bedekken en naar binnen te schuiven. „Waarom de mieren daar niets tegen doen, is onbekend. Dat is een raadsel van de natuur.”

De rups eet ongeveer 250 mierenlarven. Hij gaat in het nest de winterslaap in, de diapauze, en verplaatst zich in het voorjaar naar de bovenste kamer van het mierennest om daar te verpoppen, nog altijd verzorgd door de mieren. In de zomer, na tien maanden tussen de mieren, vliegen ze uit. Zes weken hebben de blauwtjes de tijd om rond te vliegen. Een vlinder leeft meestal twee tot drie dagen. „Dat wil dus zeggen dat de eerste vlinder die uitvliegt nooit goedendag kan zeggen tegen de laatste.” Na twee of drie dagen sterven de vlinders. Meestal worden ze opgegeten door een spin of een vogel. „In de natuur is het eten of gegeten worden.”

We lopen de bijenwei rond. Anderhalve hectare groot. Het is warm. „Dat moet ook, want onder de twintig graden vliegen ze niet.” Honderden pimpernelblauwtjes hangen boven de soortrijke bodem. Vrouwtjes zetten hun eitjes af. Mannetjes drinken nectar uit de rode bloemen van de grote pimpernel met hun „opgerolde feesttoeter”, een roltong. Of ze zitten de vrouwtjes achterna. „De mannetjes denken maar aan één ding en dat is paren. Ze gaan door tot het uiterste. Ik heb weleens mannetjes gezien die aan het paren waren met vrouwtjes die nog niet eens hadden gevlogen, die hun vleugels nog niet hadden uitgevouwen.”

We zien andere vlindersoorten. Het oranje zandoogje. De distelvlinder. De kleine vuurvlinder. Ze fladderen boven de grote pimpernel. Spaanse ruiter. Blauwe zegge en blauwe knoop, planten waaraan dit weiland zijn soortnaam blauwgrasland te danken heeft. Een liefhebber komt foto’s maken, naar hij zegt het liefst van parende vlinders. Irma Wynhoff zucht. „Mensen willen altijd parende vlinders zien.”