Het geheugen van West-Europa mag niet domineren

Oost- en West-Europa komen niet alleen tot elkaar met marktpolitiek en open grenzen, maar vooral met een Europese politiek van het geheugen, meent de Pool Aleksander Smolar.

Europa puzzel (Illustratie Roland Blokhuizen en Rik van Schagen) Blokhuizen, Roland;Schagen, Rik van

Wij kwamen de EU binnen met een historisch geheugen dat op veel punten verschilt van het geheugen in het Westen. Dat is een belangrijke bron van het wederzijdse gevoel van vervreemding. De uitbreiding naar het oosten op 1 mei 2004 met tien lidstaten was een groot succes van de EU. Maar dat werd niet overal in West-Europa zo gevoeld. De uitslag van de referenda in 2005 over de Europese Grondwet in Frankrijk en Nederland sprak boekdelen. Niemand trok ons verlangen voor ‘de terugkeer naar Europa’ in twijfel, wel riep dit verlangen aanzienlijk minder enthousiasme op in het Westen dan bij ons.

Beide delen van het continent kijken op een andere manier naar de periode tussen de twee wereldoorlogen. West-Europa wilde daar afstand van nemen en de geschiedenis in 1945 beginnen. De Europese Gemeenschap kwam tot stand in de sfeer van naoorlogse crisis. De bedoeling was met een schone lei te beginnen. Het verleden van twee wereldoorlogen, totalitarisme, kolonialisme en nationalisme moest worden afgezworen. Het Nieuwe Europa van overleg, ontwikkeling en solidariteit zou die tragische geschiedenis afsluiten.

Echter, voor veel volkeren in Midden- en Oost-Europa, inclusief Polen, was het interbellum de tijd van het herwinnen van onafhankelijkheid, van natievorming, van het zoeken naar een eigen plek onder de zon. Zelfs al bestonden er dictaturen, armoede en corruptie, de positieve herinneringen contrasteren sterk met de voorgaande slavernij en de latere rampen: de Tweede Wereldoorlog, plus de vijfenveertig jaar van communistische overheersing.

Midden- en Oost-Europa doen tegenwoordig hun best om deze periode het liefst zo snel mogelijk te vergeten. De verleiding is groot om het verschijnsel communisme te reduceren tot de Sovjetbezetting. Het naoorlogse systeem zou in deze perceptie het werk zijn van een stelletje Sovjetagenten. Het is waar, na de oorlog werd het systeem van de Sovjet-Unie aan Polen en andere landen in de regio met geweld opgelegd. Maar het is niet zo dat er geen sprake was van sociale acceptatie. De nationalisering van de economie, een snelle groei in de eerste twee decennia na de Tweede Wereldoorlog, de politiek van egalitarisme en sociale bescherming en, niet te vergeten, beveiliging tegen West-Duitsland – dat alles creëerde een aanzienlijke sociale steun. Die werd nog versterkt door het besef dat er geen alternatief was. De communistische overheersing beschouwen als een onaangename onderbreking in de geschiedenis, staat haaks op de ervaring van twee generaties.

In het Westen is het hoofdstuk 1939-’45 afgesloten. Maar in het geheugen van de Polen en andere volkeren in onze regio is de oorlog nog steeds aanwezig. Wreedheid, uitroeiing en vernielingen waren hier aan de orde van de dag, iets wat in het Westen onbekend was. De volledige soevereiniteit is hier pas in 1989 herwonnen. Maar de zorgen over nationale veiligheid zijn nooit verdwenen. Al deze factoren zijn van invloed op onze relatie met de Duitsers. In Duitsland bestaat tegenwoordig de tendens om de herinnering aan het lijden van de Duitse bevolking gedurende de Tweede Wereldoorlog op te halen. Dat wekt onrust in Polen. Van de Duitsers verwacht men een onophoudelijke bevestiging van hun misdaden, vooral jegens de Polen, en boetedoening. Want Polen, vindt men, is ondubbelzinnig slachtoffer van de Duitse agressie en de misdaden door Duitsers gepleegd.

Terwijl de herinnering aan de oorlog vooral voor problemen zorgt in de verhouding met Duitsland, plaatst de herinnering aan het communisme en aan de Sovjet-Unie ons tegenover heel West-Europa. Het Westen heeft onze ervaringen met het ‘reëel bestaande socialisme’ in de vijfenveertig naoorlogse jaren niet aan den lijve ondervonden. Het Westerse geheugen wat betreft het communisme beperkt zich tot de aanwezigheid van de machtige communistische partijen in Frankrijk en in Italië, en minder invloedrijke in andere landen.

In de eerste scènes van de film Katyn van Andrzej Wajda zien we vele vluchtelingen op een brug. Sommigen vluchten uit door de Duitsers bezet gebied, anderen lopen in tegenovergestelde richting, zij proberen de Sovjetbezetting te ontvluchten. Dit beeld is voor onze regio een metafoor, en op feiten gebaseerd, maar voor velen in het Westen is dat onverteerbaar. Net zoals het voor hen onverteerbaar is beide systemen, nationaal-socialisme en communisme, aan elkaar gelijk te stellen. Andere historische ervaringen, maar ook economische en strategische belangen zijn er de oorzaak van dat het Rusland van Poetin in Warschau, Berlijn, Parijs, Londen en Rome op andere manieren benaderd wordt.

De Holocaust en het lot van de Europese Joden hebben ook een andere plek in de herinneringen van de twee delen van het continent. In West-Europa werd bijvoorbeeld de vernietiging van de Joden als een uitzonderlijk verschijnsel, als het ideologische zwaartepunt van het nazisme, twintig jaar verzwegen om vanaf de jaren 60 een centrale plaats in het geheugen in te nemen. Een paradoxaal effect hiervan was dat het leed dat andere volkeren was aangedaan, naar de achtergrond verdween. De huiveringwekkende verhalen over het lot van de Joden waren er mede de oorzaak van dat de misdaden van de Sovjet-Unie werden geminimaliseerd. Vanuit West-Europees perspectief zijn antisemitische uitingen in een land als Polen niet te begrijpen en niet te accepteren. Immers, daar vonden de grootste misdaden van de nazi’s plaats. Maar Midden- en Oost-Europa zijn pas na 1989 de erfenis van de Holocaust openlijk tegemoet getreden. Voor die tijd hielden de communistische autoriteiten het karakter en de omvang van de vernietiging van de Joden verborgen. Omdat zij niet in staat waren de Holocaust in klassetermen te interpreteren, omdat Stalin aan het eind van zijn leven een wrange antisemitische politiek voerde, omdat deze autoriteiten bang waren voor ‘Joods’ versleten te worden en omdat de staat Israël bij het vijandelijke kamp hoorde. De antisemitische tradities en een halve eeuw communisme stonden begrip voor het Joodse martelaarschap in de weg.

Bovendien, Midden- en Oost-Europa kenden behalve miljoenen Joodse slachtoffers, ook miljoenen slachtoffers van Poolse, Russische en andere origine. En niet alleen het nazisme, ook het communisme eiste zijn tol. In het geheugen van de volkeren in de regio, van de Baltische staten tot Roemenië, werden de Joden, behalve als de slachtoffers van Hitler ook als medeverantwoordelijk voor de misdaden van het communisme gezien. Het communisme zou ons na de oorlog natuurlijk ook zonder Joden opgedrongen zijn, maar hun relatief grote aanwezigheid in het machtsapparaat leek de ergste vooroordelen te bevestigen. De Joden werden, zoals vaak met minderheden in grote imperia gebeurt, tegen de lokale meerderheid gebruikt. Dit blokkeerde de mogelijkheid het antisemitisme het hoofd te bieden.

De recent bekend geworden feiten over de houding van een groot deel van de Poolse samenleving tijdens en na de oorlog, leidde tot een shock. Want die feiten strookten niet met het beeld van de Polen als slachtoffer. Hoe gevoelig het onderwerp ligt, bewijst het schandaal naar aanleiding van een stuk in Der Spiegel uit mei, over de medewerking van een deel van de inwoners van de door de Duitsers bezette gebieden, inclusief de Polen, aan de vernietiging van de Joden.

Voor alle voormalige Oostbloklanden is 1989 een cruciaal jaar. Het is een moment van afsluiting van de tragische cyclus die voor Tsjechoslowakije begon in 1938, voor Polen op 1 september 1939, voor de andere volkeren even later. 1989 was voor Polen ook de bekroning van ‘Solidarnosc’ uit de jaren 1980 en 1981. Voor het voormalig Oostblok was dit het moment van bevrijding en van het instorten van het communisme. In West-Europa, maar ook in de Verenigde Staten, kwam de geopolitieke dimensie op de eerste plaats. Het jaar 1989 betekende daar voornamelijk het spel van de grote mogendheden. Het is geen toeval dat de Berlijnse Muur het symbool werd.

Ook de manier waarop de Europese integratie in het geheugen opgeslagen werd, scheidt ons van de oude Unie. Het in het Westen dominante verhaal over het bouwen van een gezamenlijk Europa betrof niet ons. De canon van de West-Europeanen was onze geschiedenis niet, wij namen daar geen deel aan. De Polen hebben ook moeite te erkennen wat de oorspronkelijke EU-leden als iets natuurlijks zien: de betekenis van de Frans-Duitse verzoening voor de Europese integratie en tot voor kort het onbetwiste leiderschap van beide landen in Europa.

Het koloniale en het imperiale verleden is nog zo’n element van het historisch geheugen dat de twee delen van Europa scheidt. De nieuwe EU-leden werden ooit veroverd door grote imperia in de regio; het Russische, het Duitse, het Habsburgse, het Ottomaanse. Zij hadden ingewikkelde, vaak slechte verhoudingen met de buren. Hun behandeling van nationale minderheden was niet zelden abominabel. Maar dat is iets anders dan een koloniaal verleden dat zo belangrijk voor de nationale identiteit in West-Europa is. Ook vandaag nog heeft dit verleden grote invloed op de houding van de West-Europeanen. Het dicteert een specifieke benadering, het legt bijvoorbeeld een eigenaardig soort censuur op het spreken over volkeren en beschavingen die ooit gekoloniseerd waren. Dit is iets wat de volkeren in ons deel van Europa niet begrijpen. Na de zogenoemde ‘Brief van de acht staten’ die in 2003 de kant van Amerika kozen in de oorlog met Irak, volgde de shockerende uitspraak van de Franse president Jacques Chirac over „het gebrek aan goede manieren bij de nieuwe EU-leden en de verloren kans bij deze staten om eens te gaan zwijgen”. Zo’n uitspraak over ex-kolonies zou ondenkbaar zijn.

Zo tekent de geografie van het verleden de grenzen en de intensiteit van de gemeenschap. Als de twee delen van Europa meer naar elkaar toe moeten groeien, zijn niet alleen marktpolitiek en open grenzen nodig, maar ook een Europese politiek van het geheugen. Wij moeten ernaar streven de Europese visie zó te wijzigen dat daarin ook onze ervaringen en onze kijk op de geschiedenis worden opgenomen. Zo overbruggen wij een historische verwijdering. Het is duidelijk dat wij van Europa de garantie van vrede, stabiliteit en welvaart verwachten, maar wij moeten in de hoofden van de Europese burgers geen muur bouwen van onderlinge angsten, ressentimenten en nationale mythen.

Aleksander Smolar is hoogleraar politicologie aan het Centre National de la Recherche Scientifique in Parijs en voorzitter van de Stefan Batory Found (Soros) in Warschau. Hij was adviseur van de eerste niet-communistische premier van Polen, Tadeusz Mazowiecki. (Vertaling Sasza Malko)