Geen status? Koop een voetbal-club!

Real Madrid en Manchester City smeten deze zomer met geld. Andere clubs en zelfs het Vaticaan reageerden bezorgd: oliesjeiks en puissant rijke ondernemers maken het voetbal kapot.

Football - Preston North End v Manchester City - FA Cup Fifth Round - Deepdale - 06/07 - 18/2/07 Manchester City Fans with inflatable bananas Mandatory Credit: Action Images / Carl Recine Action Images

Twee mannen hebben deze zomer het voetbal veranderd. Florentino Pérez ging in 1951 als vierjarig Madrileens jongetje voor het eerst met zijn vader mee naar Real Madrid. Zijn vader was socio, lid van Real. Pérez hield van zijn vader. Veel van zijn jeugdherinneringen werden in het enorme betonnen Bernabéu-stadion gevormd, waar in de jaren vijftig een Real-ploeg vol grote spelers, galácticos, alle prijzen won. Bij Pérez zou de liefde voor zijn vader verweven zijn met de liefde voor Real.

Later werd Pérez bouwmagnaat en miljardair. Maar hij bleef Real-supporter, en deze zomer werd hij voor de tweede keer tot clubvoorzitter gekozen. Meteen probeerde hij het galáctico-team van zijn kindertijd te reconstrueren. Hij betaalde 94 miljoen euro voor de Manchester United-aanvaller Cristiano Ronaldo, de hoogste transfersom in de voetbalgeschiedenis. Deze zomer gaf hij in totaal zo’n 250 miljoen euro aan nieuwe spelers uit, waarschijnlijk meer dan alle andere clubs in de hoogste Spaanse divisie bij elkaar.

De tweede man die het voetbal verandert is sjeik Mansour bin Zayed al Nahyan. Toen hij in 1970 werd geboren als zoon van sjeik Zayed, vorst van Abu Dhabi, hadden maar weinigen buiten de Arabische Golf van dit ministaatje gehoord. Er bestaat een befaamde luchtfoto van het oude Abu Dhabi: grotten in de woestijn. Je denkt, dit is Abu Dhabi in de vijftiende eeuw, maar de foto dateert uit de kindertijd van sjeik Mansour.

Sindsdien is Abu Dhabi flink opgeknapt. Dat krijg je met 10 procent van alle oliereserves ter wereld en slechts één miljoen inwoners, van wie de meesten ook nog gastarbeiders zijn. De familie van sjeik Mansour is ongeveer 600 miljard euro waard.

De sjeik houdt van paardrijden in de woestijn, van fitness en van voetbal. Hij bezat al een voetbalclub in de Emiraten. Vorig jaar kocht hij Manchester City erbij. City was traditioneel het lachertje van het Engelse voetbal, de eeuwige verliezer wiens fans graag zelfspottend het Monty Python-liedje Always Look on the Bright Side of Life zongen en surrealistisch met bananen zwaaiden. In de laatste twaalf maanden gaf City echter zo’n 235 miljoen euro aan nieuwe spelers uit.

Mansour heeft nog geen tijd gehad om een wedstrijd van zijn eigen club bij te wonen, maar hij hoopt dat dat nog gaat gebeuren, en intussen verzekert hij zijn mede-City-fans dat hij alle wedstrijden live op tv ziet.

Vaticaan

De rest van het Europese voetbal is ziedend op Mansour en Pérez. Alex Ferguson, trainer van Manchester United, deed buurman City af als „een kleine club met een kleine mentaliteit” – een teken van zijn angst. Zelfs het Vaticaan klaagde over de uitgaven van Real. Nog nooit is er in deze ietwat armetierige bedrijfstak (het voetbal is helemaal geen big business) in zo’n korte tijd zoveel geld omgegaan.

Michel Platini, president van de Europese voetbalbond UEFA, wil nu een contrarevolutie leiden. Maar kan hij de rijkaards tegenhouden, of heeft het voetbal deze zomer onomkeerbaar een nieuwe vorm aangenomen?

Decennialang waren voetbalclubs kleine kruideniers. Neem het Ajax van 1973, destijds het beste team op aarde. De ster, Johan Cruijff, verdiende slechts 95.000 gulden, Piet Keizer, Ruud Krol, Wim Suurbier, Jan Mulder en Johan Neeskens elk 50.000 gulden, en alle andere spelers nog minder. De inkomens waren ‘te vergelijken met die van een succesvolle middenstander’, schrijft Menno de Galan in zijn boek De trots van de wereld.

Sindsdien is de voetbalindustrie wel gegroeid, maar niet zoveel als wordt gedacht. Een doorsneeclub uit de Engelse Premier League (de rijkste competitie op aarde) heeft ongeveer dezelfde jaaromzet als één grote supermarkt – niet een supermarktketen, maar één enkele Tesco-vestiging. Real Madrid, naar omzet gemeten de grootste voetbalclub op aarde, zet veel minder om dan TomTom, het kleinste bedrijf in de Nederlandse AEX-index. Bovendien maakt Real bijna nooit winst.

Dit is deels een probleem van wat economen ‘toe-eigening’ noemen: voetbalclubs kunnen zich slechts een kleine portie van onze liefde voor het voetbal toe-eigenen. Dat wil zeggen: ze kunnen er maar weinig geld uit slaan. Een relatief klein deel van de voetbalfans bezoekt het stadion, de meesten kijken de wedstrijden gratis of voor weinig geld op tv. (Een avondje thuis voor de betaalzender is nog altijd een stuk goedkoper dan een avondje in het café of restaurant.)

Bovendien beslaat het kijken naar voetbal (zelfs op tv) slechts een minuscuul gedeelte van de verhouding van de fan met zijn sport. Er zijn ook krantenverslagen die gelezen moeten worden, internetsites, en een groeiend aanbod aan voetbalcomputerspelletjes. Verder is er het kletsen over voetbal, aan tafel, op het werk of bij de bushalte. Voetbalclubs maken deze vormen van entertainment mogelijk, maar de clubs kunnen zich geen cent toe-eigenen van de waarde die wij eraan toeschrijven. Wij mogen praten of lezen of nadenken over Ajax zonder dat we Ajax daarvoor hoeven te betalen.

Er is dan ook bijna nooit iemand rijk geworden van het kopen van een voetbalclub – of het moet zijn door de club door te verkopen aan een nog grotere gek.

Het gaat de nieuwe generatie suikerooms echter helemaal niet om winst. Zij investeren niet in voetbal. Ze kopen plezier en status. Derk Sauer, de Nederlandse mediamagnaat in Moskou, verklaart de psychologie van Russische oligarchen die voetbalvoorzitters worden: „Je hebt heel veel geld, maar je telt toch niet echt mee in de wereld, en wat doe je dan? Dan probeer je status te verwerven. In de jaren twintig in Amerika had je tycoons, die deden precies hetzelfde. Die gingen in de kunst, of in dat soort dingen.”

Het zal dan ook geen toeval zijn dat Mansour naast voetbalclubs tevens kunst spaart, terwijl Roman Abramovich, de oligarch die de Londense voetbalclub Chelsea bezit, vorig jaar zo’n 120 miljoen dollar uitgaf aan schilderijen van Lucian Freud en Francis Bacon.

Pérez heeft ietwat andere dingen aan de muur hangen. Boven zijn bed prijkt een foto van hem poserend tussen de galácticos die hij tijdens zijn eerste voorzitterschap van Real kocht: David Beckham, Luis Figo, Zinedine Zidane en Ronaldo. Voetballers als fetisj: Sigmund Freud had het fascinerend gevonden.

Zwart geld

Pérez, Mansour en Abramovich voeren dus geen kosten-batenanalyses uit voordat ze spelers kopen. Het gaat hen niet om winst. Noch doen ze het om tientallen miljoenen aan zwart geld wit te wassen, zoals soms wordt beweerd. De bedragen die in het voetbal omgaan zijn te klein om deze miljardairs te boeien. Deze mannen kopen voetballers zoals ze schilderijen kopen, als statusverhogende hobby.

Bovendien weten ze dat grote voetbalclubs, nog meer dan topschilderijen, zelfs in slechte economische tijden waarde behouden. Dat komt omdat de clubmerken zo sterk zijn. Zoals er altijd weer een rijkaard is die jouw Rembrandt wil kopen, kan je altijd je Engelse voetbalclub doorverkopen.

Real is een iets ander geval: de club is het bezit van de socios, niet van Pérez zelf. Hij weet echter dat het clubmerk zo sterk is dat de club ongebreideld geld kan uitgeven, want geen bank of regering zal Real ooit failliet laten gaan. Dat Pérez de Nederlandse sterren die zijn voorganger heeft aangetrokken nu met verlies moet verkopen, vindt hij geen probleem.

Zijn club heeft naar verluidt een schuld van zo’n 500 miljoen euro, al kent niemand de precieze cijfers, maar zoals Johan Cruijff jaren geleden vroeg aan een journalist die over de toenmalige schulden van Real begon: „Kan jij je een Spaanse liga zonder Real voorstellen? Nou dan.” Real gaat nooit verloren. Twee grote Spaanse banken hebben dit jaar zelfs nieuwe leningen ter waarde van 150 miljoen euro aan de club verstrekt. Pérez maakt het merk van Real te gelde.

Suikerooms

Real, Manchester City en Chelsea geven het geld van suikerooms uit. Maar Barcelona en Manchester United houden hun rivalen vrij goed bij met eigen inkomsten. Deze twee clubs maken hun merken steeds meer te gelde door over de hele wereld tv-rechten en clubshirts te verkopen.

Zo ontstaat een kopgroep van rijke clubs die de rest steeds verder achter zich laat. De beste spelers komen bij deze clubs terecht. Louis van Gaal, trainer van Bayern München, sneerde richting Real: „Een team is niet te koop.” Maar dat is onjuist. Een team is wél te koop.

De laatste vijftien jaar zijn in Engeland bijvoorbeeld eerst Blackburn en later Chelsea onder leiding van suikerooms met inderhaast bijeengekochte ploegen kampioen geworden. In het voetbal bestaat zelfs een ijzeren verband tussen geld en succes. In ons nieuwe boek Dure spitsen scoren niet en andere raadsels van het voetbal verklaard geven Stefan Szymanski en ik de exacte cijfers. Stefan bestudeerde de boeken van veertig Engelse clubs tussen 1978 en 1997 en stelde vast dat hun uitgaven aan salarissen 92 procent van de totale variatie in ranglijstpositie verklaarden. Van 1998 tot en met 2007 was het verband 89 procent. Met andere woorden: hoe meer je je spelers betaalt, hoe hoger je zult eindigen. In het hele Europese voetbal is er slechts een handvol topcoaches (onder wie Van Gaal zelf, die vorig jaar met het relatief kleine AZ kampioen werd) die zich bij herhaling aan deze wetmatigheid kunnen onttrekken.

Woede en jaloezie

Omdat geld bijna alles bepaalt, heerst er in het Europese voetbal nu woede en jaloezie jegens Real en Manchester City. Voetballanden als Frankrijk en Duitsland weren suikerooms, terwijl voetballanden als Nederland te klein zijn om de ooms te lokken. Deze landen proberen wel met de grote jongens te concurreren, maar kunnen het niet.

Christian Müller, financieel directeur van de Duitse Fussball Liga, zegt: „Wat ik observeer is dat veel mensen in Europa bang zijn dat dingen niet goed zullen gaan met deze hoge of zelfs excessieve uitgaven. Dit is een vorm van escalatie van alle spelerssalarissen en transfermarkten. Iedereen vraagt zich af hoe ze de toekomstige verliezen kunnen dekken. Momenteel is het vooral Real Madrid dat de ratrace aanvoert.”

Andere clubs steken zichzelf inderdaad in de schulden. In Nederland is Feyenoord bijvoorbeeld al sinds jaren blut. In Spanje hebben de profclubs een gemeenschappelijke schuld van zo’n 4 miljard euro. In Argentinië is de start van het nieuwe seizoen uitgesteld omdat de clubs hun spelers niet kunnen betalen. Dat kan een voorbode zijn voor andere landen. Voetbalclubs gaan dankzij hun sterke merken bijna nooit failliet, maar voor de kleine broeders is de huidige situatie niet leuk. Ze verliezen wedstrijden én geld.

Bovendien bestaat er een wijdverbreid gevoel dat wat Real en City doen smakeloos is – dat het de sport van zijn ziel berooft. Vroeger was een voetbalclub als de kruidenier op de hoek. Nu wordt een club als City plotseling een kleine multinational. Dat roept in deze tijd van globalisering natuurlijk angsten op die van ver buiten het voetbal komen. Platini vertelde mij vorig jaar: „Het voetbal ontstond doordat de spelers van Manchester City tegen de spelers van Manchester United waren. Nu begrijp ik niet waarom de Qatarese [sic] voorzitter van Manchester City tegen de Amerikaanse voorzitter van United is.”

Platini moest zelf om de absurditeit lachen. „Waarom noemt de club zichzelf anders Manchester? Ze moesten zichzelf, ik weet het niet, Coca-Cola noemen. En als ze geen Engelse spelers hebben, waarom spelen ze dan in Engeland?” Het is een pleidooi voor het oude voetbal van plaatselijke cluppies waarmee we allemaal zijn opgegroeid.

Maar Platini kan de klok niet terugzetten. Hij geeft het zelf toe: in Engeland mag een buitenlander een bedrijf kopen, en dus ook een voetbalclub. Een Nederlandse bankier of buschauffeur is vrij om in Engeland te werken, en een Nederlandse voetballer dus ook. Johan Cruijff en de wereldvoetbalbond FIFA kunnen pleiten wat ze willen voor een ‘6+5’ regel, die het aantal buitenlanders per clubelftal tot vijf zou beperken, maar het komt er nooit door. Het vrije verkeer van werknemers binnen de EU is namelijk een basisprincipe van de Unie. Dat zal de EU nooit loslaten, zoals ook Platini erkent.

De grote voetbalclubs zullen nooit meer op buurtkruideniers lijken. Bovendien lijkt daar weinig vraag naar te zijn: in geglobaliseerde voetballanden als Engeland, Nederland, Frankrijk en Duitsland zitten de tribunes nu vol. Het Ajax van Cruijff was een overwegend Nederlands topteam, en het speelde vaak voor maar achtduizend toeschouwers. Het Ajax van nu is een middelmatig stelletje buitenlanders, en het trekt gemiddeld zo’n 50.000 toeschouwers.

Als de stadions veilig en comfortabel zijn, dan komen mensen kijken. Vierjarige jongetjes, en meisjes, gaan nog steeds graag aan de hand van hun vader naar een wedstrijd. De vraag is dus of het nieuwe geglobaliseerde voetbal inderdaad zo slecht is. De meeste klanten lijken tevreden.

Platini geeft toe dat het moeilijk wordt om de macht van de grootste Engelse clubs in te perken: „Wettelijk is het onmogelijk. Financieel is het onmogelijk.” Een tijdlang pleitte hij voor een ‘salary cap’: een limiet aan het totaal dat clubs aan spelerssalarissen mochten betalen. De clubs wilden er echter niet aan. Nu wil de UEFA strengere financiële licenties invoeren, zodat clubs met grote schulden worden aangepakt. Maar daarmee pak je de suikerooms niet. Sjeik Mansour legt fluitend een bankgarantie neer dat hij alle schulden van Manchester City dekt. Met strengere licenties pak je clubs zonder suikerooms, clubs als Feyenoord of Valencia of Roma die wanhopig proberen mee te concurreren.

En er zullen alleen maar suikerooms bijkomen. Mansour en Abramovich hebben hun geld in status en plezier omgezet. Geen wonder dat andere rijken uit de Verenigde Arabische Emiraten nu proberen de Engelse clubs Portsmouth, Everton en zelfs het nietige provincieclubje Gillingham (een soort Engels HFC Haarlem) te kopen. Straks moet je als voetbalclub een suikeroom hebben, of een reuzenmerk zijn zoals FC Barcelona, of je doet niet meer mee. De kunstmarkt is ingeklapt, en het voetbal is de nieuwe kunstmarkt geworden.

Dure spitsen scoren niet verschijnt in oktober bij uitgever Nieuw Amsterdam.