De genetica verbrijzeld

Ooit was genetica simpel: de helft van je eigenschappen kreeg je van vader, de andere helft van moeder. Een flinke scheut omgeving erbij, en je had je persoonlijkheid. Alleen de eigenschappen die je van je ouders had, kon je weer doorgeven.

Dat simpele beeld had grote gevolgen. Het human genome project zou van elke karaktertrek, elke ziekte en elk uiterlijk kenmerk vertellen welke genen ervoor verantwoordelijk waren. We wisten dat genen beschadigd konden raken door invloeden van buitenaf, waardoor ze het niet meer deden of anders werkten. Mutaties noemden we dat – die gaven ons kanker, ouderdom en andere kwalen.

Toch ontstonden er barsten in het zo stevig ogende huis van nature en nurture. Beetje bij beetje ontwaarden wetenschappers het mechanisme dat DNA en omgeving samenbrengt: allerlei invloeden kunnen onze genen aan- en uizetten. Veel meer dan toekijken en proberen te begrijpen kan de wetenschap nog niet. Duidelijk is dat er van alles gebeurt in de baarmoeder en vlak na de geboorte, maar ook tijdens ons leven gaan er nog heel wat knoppen om. Vaak zijn dit aanpassingen aan de omgeving, maar het kan ook foute boel zijn. Muizenjongen die weinig liefde krijgen, hebben in hun latere leven minder genen ‘aan staan’ die stress onderdrukken.

De heilige graal van de genetica is opgeschoven: alles lijkt ineens te maken te hebben met het spel van aan en uit in onze genen. Kankercellen zijn niet alleen gemuteerd, maar ook heel anders actief. Drugs maken ons verslaafd door een genetische schakelaar om te zetten in ons brein. Chemische stoffen in onze omgeving zijn schadelijk omdat ze genen ongewenst aan- en uitzetten. Veel veranderingen geven we zelfs aan onze nakomelingen door: een zwangere moeder die honger lijdt, verandert de genactiviteit bij haar ongeboren kind, die het later gevoeliger maken voor diabetes. Is dan toch alles wat wij doen van invloed op ons nageslacht? Jop de Vrieze

In de zomerserie ‘Onkennis’ schrijft de wetenschapsredactie over een opvallend gebrek aan kennis.