De beloningen zijn niet aanzienlijk genoeg

Vorige maand overleed de vooraanstaande bankier jhr mr S.E. Beelaerts van Blokland. Als beginnend bedrijvendokter heb ik hem in de vroege jaren tachtig leren kennen bij de intussen meermalen gefuseerde en weer ontvlochten zakenbank Pierson Heldring & Pierson. Toen was het al duidelijk dat hij niet iemand was van het type snelle deal, kassa en wegwezen. Het ging hem om zorgvuldigheid, finesse, en het uitgangspunt dat je elkaar altijd weer een volgende keer onder ogen moet kunnen komen. Misschien komt het door die houding dat hij nooit in de absolute top van bancair Nederland is gekomen, in de raad van bestuur van ABN Amro of ING of zo. Vooraanstaand zijn was voor hem belangrijker dan vooraan staan. Misschien verklaart het ook waarom Het Financieele Dagblad niets te melden had bij zijn overlijden, terwijl het ietwat bezonken publieksdagblad Trouw hem met een hele pagina eer bewees. ‘Afkerig van hebzucht’ stond er boven het artikel, dat ook sprak over „een zekere soberheid: de oude Volvo voor de deur en de tweedehands aangeschafte grasmaaier die het regelmatig begaf”.

Het doet bijna onvermijdelijk denken aan wat Aristoteles meer dan twintig eeuwen geleden schreef over het goede leven. Streven naar genot is voor plat volk, vond hij met aristocratisch dedain, en werken voor geld doe je alleen zolang het nodig is. Als je dat eenmaal geregeld hebt, gaat het verder om aanzien, het hoogste goed dat er in de publieke sfeer te verwerven valt. Dat is een gedachte waar wij misschien iets aan hebben, in deze tijd van verontwaardiging over beloningen voor topbestuurders. Want het gaat in die discussies steevast over geld; aanzien komt er niet in voor.

„Aanzien is waarmee men voortreffelijkheid en verdienstelijkheid beloont”, heet het in de prachtig toegankelijke vertaling van Aristoteles’ Ethica, die bij de Historische Uitgeverij is verschenen. En: „aanzien is een goed dat aan de gemeenschap toebehoort. Het is onmogelijk inkomsten te beuren van de gemeenschap en tegelijkertijd haar achting te genieten.” We zien het voor onze ogen gebeuren. De mensen die grootschalig binnenlopen, oogsten wel afgunst maar geen aanzien. Maar omdat het de gemeenschap is die al dan niet aanzien verleent, ziet het ernaar uit dat wij als leden van die gemeenschap ook het een en ander aan onszelf te wijten hebben.

Het verlenen van aanzien is namelijk iets wat wij helemaal maar dan ook totaal hebben verleerd. Is het een wonder dan, als er geen aanzien meer te verdienen valt, dat veel mensen gaan voor het geld? Als je toch als schurk door het leven moet, kun je maar beter een rijke schurk zijn.

Aanzien is een merkwaardig goed. Het heeft een kostprijs van nul, iedereen kan het onbeperkt leveren, en er is een enorme behoefte aan. Toch is het extreem schaars. Wat is er aan de hand? In zijn prettig leesbare, helaas uitverkochte boekje De Economie van de Eer wijst socioloog Dick Pels onder andere op de invloed van het christendom. Dat legt een zware ban op allerlei vormen van verheffing, want „wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden”, en „vele eersten zullen de laatste zijn”. Dat is niet een sfeer waarin aanzien gedijt. Verder is er de cultuur van het individualisme, waarin we hebben geleerd dat we vooral kritisch moeten zijn. In de praktijk komt dat erop neer dat we er steeds als de kippen bij zijn om te wijzen op wat niet goed is – daarmee intussen suggererend hoe goed we het zelf weten zodat we op een slinkse manier toch aan onze zelfverheffing toekomen. Dat is aanzien stelen.

Maar ik vermoed dat er meer is, iets wat heeft te maken met de bron van ons aanzien. Van wie willen we aanzien ontvangen, wie is in dat opzicht belangrijk voor ons? Uit wat ik zo over Beelaerts lees, rijst het beeld op van een familieachtergrond met sterke sociale en ethische wortels. Twee van zijn ooms waren bijvoorbeeld Engelandvaarders en oorlogshelden, wat zomaar zou kunnen betekenen dat eer en principes belangrijker waren dan winnen door bochtjes af te snijden. De familieportretten hingen bij wijze van spreken achter zijn bureau, gaven hem houvast en knikten hem bemoedigend toe. Van hen ontving hij aanzien, of niet, en dat stuurde zijn handelen.

Er zijn andere mensen, waar ik ook rustig mezelf toe kan rekenen, bij wie de familieportretten minder houvast bieden, àls zij al aan de muur hangen. Bij wie de boodschap niet is ‘doe als wij’, maar eerder ‘zorg dat je niet hoeft te doen zoals wij’. Beelaerts hoefde niet te hebben om te zijn, want hij wist al wie hij was. Dan is een tweedehands grasmaaier geen probleem en misschien zelfs wel grappig. Anderen moeten nog per se wat worden, dus verder, hoger en meer, vooral in geld en bezit. Dan koers je alleen op een richting, niet op een plek waar je moet zijn. Dat maakt het lastig te weten wanneer je arrivé bent, zeker als je het moet stellen zonder de gemeenschap waar Aristoteles het over had. Of wanneer die ge-meenschap verzuimt je aanzien te geven en je zo te vertellen dat je goed zit.

Er is een andere manier van kritisch zijn, een kritische houding voor gevorderden. Die probeert niet de fouten van een ander te ontdekken maar juist zijn kwaliteiten. Dat is meer dan complimenten geven; het is beargumenteerd weten te onderscheiden wat goed is in wat iemand zegt of doet, en dat uitspreken. Het brengt de hoognodige circulatie van aanzien in de gemeenschap op gang, en iedereen kan er vandaag mee beginnen. Met het bijkomende effect dat we er zelf beter van worden, want wie zo eer kan geven, is groter dan wie zijn eer moet stelen. Zo kunnen we straks aanzienlijk zijn zonder bonussen, en met een oude Volvo voor de deur.