Wie zo'n jurk draagt, kan niet ongelukkig zijn

Madeleine Vionnet was de eerste conceptuele modeontwerper. Haar werk vol inventieve plooien en schuin geknipte stoffen is nu te zien op een expositie in Parijs.

De Franse modeontwerper Madeleine Vionnet (1876-1975) was een vrouw met uitgesproken meningen. Zo schrok ze er niet voor terug om te verkondigen dat ze een hartgrondige hekel had aan mode, aan de kledingindustrie en de per seizoen wisselende modegrillen. Zij ontwierp geen jurken voor één seizoen, nee, Madeleine Vionnet ontwierp jurken voor het leven. Haar kleren waren van een ‘tijdloze schoonheid’, vond ze zelf.

Wie nu de overzichtstentoonstelling van Madeleine Vionnet bekijkt in het Parijse museum Les Arts Décoratifs, kan niet anders dan haar gelijk geven. Van de meer dan honderd jurken die er worden geëxposeerd, onttrekken de meeste zich aan begrippen als ‘modern’ of ‘ouderwets’ – ze zijn eenvoudig beeldschoon en nog even draagbaar als vroeger. Het is geen wonder dat veel latere modeontwerpers, zoals Issey Miyake, Azzedine Alaïa of John Galliano, schatplichtig aan haar zijn.

Vionnet had van 1912 tot 1939 – met een onderbreking tijdens de Eerste Wereldoorlog – een couturehuis in Parijs, volgens haar het meest toonaangevende ter wereld. Voor beroemde vakgenoten als Paul Poiret of Coco Chanel haalde ze haar neus op: Poiret was met zijn exotische, door de Ballets Russes geïnspireerde kleding in haar ogen geen serieuze couturier, maar een ‘kostuumontwerper’, ‘heel geschikt voor het theater’, zoals ze er geringschattend aan toevoegde. En Coco Chanel had weliswaar smaak, maar ze was toch niet meer dan een ‘modiste’ die alleen verstand van hoeden had.

In 1973, toen Vionnet 96 jaar was, zocht de Engelse schrijver Bruce Chatwin haar op in haar Parijse appartement dat in strakke art deco-stijl was ingericht. Chatwin interviewde haar voor een geschreven portret in The Sunday Times. Later, in 1989, het jaar waarin Chatwin overleed, werd het verslag van zijn ontmoeting met Vionnet opgenomen in zijn schitterende bundel essays, portretten en reisverhalen What am I doing here. Chatwin beschrijft de stokoude Vionnet als een alerte en een tikje vileine dame. Ze uit tegenover hem niet alleen haar dedain voor Poiret en Chanel, ook latere modeontwerpers, zoals Courrèges, met zijn ‘onevenwichtige’ jurken krijgen een veeg uit de pan. Ze vertelt Chatwin dat ze aan het begin van de eeuw een bewonderaar was van de danseres Isadora Duncan (1878-1927) die, in een tijd dat de meeste vrouwen nog korsetten droegen, optrad met deinende borsten, in losse, fladderende gewaden en op blote voeten. Vionnet geeft Chatwin te verstaan dat niet Paul Poiret, zoals altijd wordt beweerd, maar zij in het jaar 1907 de vrouw voorgoed bevrijd had uit het korset. Ze had zelf nooit korsetten gedragen, dus waarom zou ze er andere vrouwen inrijgen? Zoals Isadora Duncan deed, mochten haar mannequins hun lichaam tonen zoals het was, ze liet ze zelfs met blote voeten in sandalen paraderen.

Als Madeleine Vionnet tegen Chatwin zegt dat zij de beste ‘jurkenmaker’ ter wereld is, dan vindt hij dat er goede redenen zijn om haar te geloven. En inderdaad, die waren er ook.

Madeleine Vionnet viel op

de lagere school al op door haar uitzonderlijke intelligentie, maar ze mocht niet doorleren en ging op haar elfde werken in een naaiatelier in een voorstadje van Parijs. Toen ze achttien was, in 1895, vertrok ze naar Londen om Engels te leren en zich verder te bekwamen in het modevak. Ze liet haar man – met wie ze kort daarvoor getrouwd was en van wie ze na een jaar alweer zou scheiden – en hun dochtertje achter. Dat dochtertje, Jeanne, stierf met zes maanden na een noodlottige val. In 1901 keerde Vionnet voorgoed terug naar Parijs, waar ze bij verschillende bekende couturiers werkte voor ze in 1912 haar eigen modehuis opende. Na de Eerste Wereldoorlog begon ze echt furore te maken. Als eerste Franse couturier opende ze in 1925 een eigen salon in New York. In de jaren dertig had ze in Parijs 1.200 werknemers in dienst die in 21 naaiateliers in een chique gebouw aan de Avenue Montaigne zo’n 600 nieuwe modellen per jaar produceerden, stuk voor stuk door haar ontworpen.

Dat ontwerpen gebeurde niet in schetsen op papier, maar in haar hoofd en ze werd later dan ook gezien als de eerste ‘conceptuele modeontwerper’. Als een idee voor een kledingstuk haar duidelijk voor de geest stond, nam ze plaats voor een houten paspopje van 80 centimeter hoog dat op een krukje stond. Om dat paspopje probeerde ze het idee dan uit door er mousseline omheen te draperen, te vouwen en plooien, totdat het kledingstuk dat ze schiep – en dat waren meestal jurken – de door haar gewenste vorm aannam. Daarna volgde het patroontekenen, naaien en passen. In die fases kon er nog van alles aan het ontwerp veranderen, want ze was een perfectionist.

In de jaren twintig baarde Vionnet opzien met een geheel nieuwe manier om patronen uit de stof te knippen: niet met de draad mee, maar diagonaal op de draadrichting, het zogeheten ‘schuine knippen’. Jurken die schuin uit de stof zijn geknipt, zijn een beetje elastisch en voegen zich naar het lichaam, precies wat zij wilde. Zo creëerde ze sluike, sensuele jurken, als een tweede huid. Ze was gefascineerd door de antieke Griekse vrouwengewaden en probeerde daar een verleidelijke, moderne draai aan te geven. Ze vermeed knopen of andere aanhechtingen en plooide de stof zo geraffineerd om het lichaam dat ze de naden tot een minimum wist te beperken, of, als ze er echt niet omheen kon, die naden vrijwel onzichtbaar wegwerkte.

De expositie in Parijs heeft als titel Puriste de la Mode. Met die titel wordt verwezen naar het ‘Purisme’, een aan De Stijl en het constructivisme verwante stroming in de beeldende kunst die in 1918 door de architect Le Corbusier en de schilder Amédée Ozenfant in het leven werd geroepen. Zij verwierpen het kubisme en het expressionisme en pleitten voor een nieuwe kunst die paste bij het ‘tijdperk van de machine’: een ‘mathematische lyriek’, zoals zij het noemden. Madeleine Vionnet, die zichzelf altijd als een kunstenaar beschouwde, voelde zich meteen aangetrokken tot het Purisme en de term ‘mathematische lyriek’ is wonderwel van toepassing op haar ontwerpen.

Al was ze dol op franjes, borduursels, rozetten, volanten, ruches, kant en pailletten, haar jurken zijn nooit barok. Ze bracht de garneringen uitgekiend aan, vaak in geometrische patronen die de basisstructuur van de jurk accentueren. Bovendien gebruikte ze bijna altijd effen stoffen, als fluweel of dunne zijde, met decoraties in een net iets afwijkende kleurschakering: ton sur ton. Ze hing franjes niet onderaan een jurk, zoals bij de lampenkappen uit die tijd, maar drapeerde de franjedraden er in sierlijke patronen overheen. Vaak vormde de inventieve plooival in de rok de enige decoratie. In een gele zomerjurk uit 1920 hangt de satijnen crêpe in afwisselend glanzende (binnenkant) en doffe (buitenkant) driehoeken naar beneden, zo ingenieus dat de structuur van de jurk ondanks haar schijnbare eenvoud niet te doorgronden is.

In de jaren dertig werden vooral haar avondjurken steeds frivoler en exuberanter. Ze maakte nu diepere decolletés, creëerde asymmetrische drapeersels, bezaaide ivoorkleurige crêpe-de-Chine jurken met lovertjes van parelmoer, met zilver- of goudkleurige borduursels of naaide er sterren van blauw Chantilly-kant in. En ze vond in deze jaren de superchique tweelagenjurk uit: een sluike effen jurk met daarover een wijder uitstaande, transparante overjurk van kant, tule of organza, die de draagster tot een vlinder maakt.

Als er zoiets bestaat als de ‘ultieme jurk’, dan is het een geheel uit driehoeken en cirkels geconstrueerd ontwerp van Madeleine Vionnet uit 1936. De jurk heeft een halterlijfje met blote rug en een gerende rok van zwart fluweel. De blote rug en de rok zijn bedekt met doorschijnend zwart kant dat met een zilveren cirkelgesp in de taille bijeen wordt gehouden. Een op heuphoogte ingenaaide balein zorgt dat het kant rondom centimeters van de onderrok afstaat. Wie zo’n jurk draagt, kan niet ongelukkig zijn.

Als het aan Madeleine Vionnet lag,

liep de vrouw altijd in een jurk. Daar is ook veel voor te zeggen. Rokken, broeken, bloesjes, truien, hoe lekker ze ook zaten, je vergeet ze. Van alle kledij is de jurk nog altijd het meest memorabel. Als ik mijn leven zou moeten beschrijven, zou ik me liever laten leiden door de jurken die ik heb gedragen dan door wat ik heb meegemaakt. Eenvoudig omdat ik me die jurken beter herinner dan de gebeurtenissen. De jurk waarin ik het lang geleden uitmaakte met een geliefde kan ik nog uittekenen, hoe dat uitmaken ging, welke woorden er vielen, of er tranen vloeiden, dat ben ik vergeten. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kregen veel Nederlandse gezinnen uit de Verenigde Staten pakken met kinderkleren opgestuurd, ook ons gezin. De jurkjes die daar uitkwamen, werden eerst gedragen door mijn twee oudere zusjes, die kort na de oorlog waren geboren. Ik kon niet wachten tot ze mij zouden passen, zo onbegrijpelijk mooi en luxueus en bijzonder waren die jurkjes. De ruches, de strikken, de kraagjes, de zachte stoffen – ik weet nog goed de verrukking die ze bij ons opriepen. En de diepe verbazing, dat er op de aarde een land was, Amerika, waar meisjes in zulke mooie jurken liepen.

Veel later, toen ik bij deze krant solliciteerde, waren retrojurken uit de jaren dertig in de mode. Bij het sollicitatiegesprek droeg ik zo’n retrojurk, van zwarte voile met ingeborduurde rozen, en om mijn hals een dramatische vos als wapen tegen de rij oudere heren die me ondervroegen over de kunsten.

Zo kan ik doorgaan. Het kan niet anders of bij veel van de vrouwen die de tentoonstelling van Madeleine Vionnet bekijken (mannen zie je er nauwelijks), spookt een tweede tentoonstelling door hun hoofd: van de jurken die zijzelf in hun leven hebben gedragen, flatteuze en minder flatteuze jurken, in heugelijke en minder heugelijke tijden. Jurken waar ze diep naar terug kunnen verlangen, maar die er niet meer zijn. Geen van die jurken uit hun leven zal het halen bij de creaties van Vionnet die ze nu bewonderen, en ach, eigenlijk is dat wel een troost. Onbereikbare schoonheid kun je tenslotte niet verliezen.

„Een couturier kleedt mensen, geen dromen”, heeft Madeleine Vionnet eens gezegd. Maar de mensen, de vrouwen, die zij kleedde, moesten wel een goed figuur hebben. Aan Bruce Chatwin vertelde ze dat ze kleine vrouwen verafschuwde: als er een vrouw in haar salon kwam „die lelijk was, of klein, of dik, dan wees ik haar de deur! ...je dirai ‘va-t-en!’.” Op de expositie blijkt uit diverse foto’s van haar mannequins dat een goed vrouwenfiguur toen wel iets anders was dan nu. Het mocht wat molliger zijn. Hangende borsten en zelfs een paptaille – die ze dan wel maskeerde door een bloezend lijfje – vond ze kennelijk geen bezwaar.

Die oude foto’s van mannequins

in Vionnet-creaties zijn te zien op kleine beeldschermpjes die ook als tekstbordjes fungeren bij de geëxposeerde jurken. De jurken worden allemaal geshowd op hoofdloze paspoppen die een stuk slanker zijn dan de mannequins van voor 1930. Buikjes zijn er niet bij, de paspopfiguren beantwoorden aan ons hedendaagse ideale vrouwenfiguur, ze zijn lang en slank, waardoor de jurken op die poppen veel moderner lijken dan op die oude foto’s.

De Franse interieurontwerper Andrée Putman heeft de tentoonstelling geheel volgens de puristische principes van Madeleine Vionnet ingericht. Alle creaties worden in strakke vitrines met spiegelende achterwanden getoond, van de eerste ontwerpen uit 1912 – jurken die duidelijk beïnvloed waren door de Reformbeweging – tot de feeërieke avondtoiletten uit de late jaren dertig. Ze zijn chronologisch en ook thematisch gerangschikt aan de hand van karakteristieke kenmerken als franjes, cirkels of transparantie.

Aan het begin van de tentoonstelling staat op haar kruk het houten paspopje met het melancholieke gezichtje waar Madeleine Vionnet haar ideeën op vormgaf. En ook zijzelf is op de tentoonstelling te zien, in een kort filmfragment. Het is een kleine, gezette vrouw, met een korte hals, precies het figuur dat zij verafschuwde. Voor zichzelf heeft ze dan ook nooit een jurk ontworpen. „Ik was geen mondaine”, zei ze tegen Bruce Chatwin, „ik heb nooit mijn best gedaan om mezelf goed te kleden.”

Madeleine Vionnet, Les Arts Décoratifs, 107 Rue de Rivoli, Parijs. Di-vrij 11-18 u, (do tot 21 u), za en zo 10-18 u. T/m 31 jan. www. lesartsdecoratifs. fr