Prozacpillen van papier

Loopt bij u ook het water in de mond als u iemand smakelijk ziet schransen? Bij ‘Buurtkinderen’ kreeg de recensent veel zin om zelf een potje te dichten.

Arjen Duinker: Buurtkinderen. Gedichten. Querido, 216 blz. € 21,95

Bij veel bundels met nieuwe Nederlandse poëzie die ik, uw onverschrokken en onvermoeibare recensent, krijg opgestuurd om voor u voor te proeven, overvalt mij een gevoel van monumentale onverschilligheid die te vergelijken is met de existentiële verveling op een grijze en door en door verregende dag in een klein vakantiehuisje op het modderige Belgische platteland op uren rijden van de dichtstbijzijnde supermarkt of kroeg. Dat zijn de bundels die ik u bespaar. Maar plotseling kan het gebeuren dat een bundel mij treft met steken van beklemming en onrust of mij doet duizelen van vermoedens van een nooit gedachte betekenis. Soms kan het gebeuren dat een bundel mij ontroert. Dat zijn de bundels waarover ik graag aan u vertel.

De bundel Buurtkinderen van Arjen Duinker, die ik de afgelopen dagen voor u heb bestudeerd, verschafte mij een sensatie die ik nooit eerder heb verkregen door het lezen van een dichtbundel: ik kreeg opeens zin om zelf een lekker potje te gaan dichten. Om het ontzettend op een dichten te zetten. Zoals het water je in de mond loopt wanneer je iemand heel erg smakelijk ziet schransen. Of zoals je onmiddellijk zin krijgt om te zwemmen wanneer je op een warme dag iemand kirrend van pret in het koele blauwe water van de zee ziet spartelen.

Buurtkinderen is in alle opzichten een gulle bundel. Tweehonderdzestien bladzijden! Voor de meeste dichters zijn dat vijf bundels en vijftien jaar subsidie. En het plezier spat eraf. ‘Hier heb je de sleutels/ Ja ik begin aan een prijsvraag/ Laten we op pad gaan/ Laten we een duet zingen/ Voor de vrouwen van Zorro/ Ja voor de vrouwen van Zorro/ De een nog mooier dan de ander’. Dan krijg je toch zin om mee te zingen? ‘Ik spring op mijn paard/ Schitterend’. Inderdaad, dat is schitterend. ‘Kijk dan toch, abstracties zijn dingen!/ Waarom wordt dat niet vaker gezegd?’ Ik ben het helemaal eens en zal het onmiddellijk van alle daken schreeuwen. ‘Dat is een fantastisch plan,/ Daar gaan we plezier aan beleven/ En godvergeten veel geld mee verdienen/ En ook onze benen mee insmeren!’ Count me in. Ik doe onmiddellijk mee.

Buurtkinderen is een grote, dikke pil tegen depressie. Prozac gemaakt van houtvrij papier. Het is zo’n optimistische bundel dat hij op grote schaal gratis verspreid zou moeten worden om mensen aan te zetten tot vrolijke, oliedomme impulsaankopen om zo de kredietcrisis te bestrijden. Het openingsgedicht zet al meteen de toon.

Het is goed,

Je hebt je werk gedaan, tuinman,

En jij ook, honderdjarige kapitein,

Ook jij, verzorger van zieken, deed je werk.

Wees er tevreden over, wees er blij om,

Rust uit en begin opnieuw.

‘Het is goed.’ Dat zijn de eerste woorden van de bundel. En de hele verdere rest van het lange openingsgedicht is een uitwerking van die woorden. De wereld gaat niet naar de klote. Althans niet meteen. Althans daar moeten we ons geen zorgen over maken. Iedereen doet zijn werk, rust uit en mag de volgende ochtend opnieuw naar zijn werk. Het is goed zo. En het goede van het gedicht is dat het ook in al zijn oprechte optimisme ironisch is. De dichter zegt ons dat het goed is dat wij ons allemaal de hele godganse dag in het zweet werken. En wat doet de dichter die een gat in de dag slaapt en daarna een rondje door de straten slentert? Hij zegt ons dat het allemaal heel goed gaat zo.

En waar gaat het verder allemaal over? Over simpele dingen, als kleuren, vogels, mooie woorden zoals cystocarpe en de twee woorden Turks die je kent, helden zoals Klukkluk en sergeant García en mensen die je kunt tegenkomen in Delft:

Hé ken je die griet daar?

Die met dat beige rugtasje en dat gestreepte

jurkje?

Ik geloof dat ze ergens reisleidster is

Ze was ooit in een reclame voor boter

Ze is gediplomeerd om bowlingles te geven

Ze heeft de gekste diploma’s

Het is grappig en het klinkt zo simpel, maar het is in de details een ontzettend geraffineerd in elkaar gezet gedicht. Alleen al dat woordje ‘Hé’. Zonder dat woordje, dat ons in de zij port, was het niet hetzelfde geweest. Maar de meeste dichters zouden er niet opkomen om het te gebruiken. En het feit dat die griet ‘ergens’ reisleidster is. Dat woordje ‘ergens’ is een heel listige, tricky toevoeging die het grappig maakt, want als reisleidster ben je per definitie op reis en niet ‘ergens’. Maar de mensen zeggen het wel zo. Net als mensen zeggen dat iemand ‘in een reclame’ was, hoewel dat bij nader inzien heel gek is om te zeggen.

Het is moeilijk om drie dingen te verzinnen die zo helemaal niks met elkaar te maken hebben als reisleidster, boterreclame en bowlingles. En uit het geheel spreekt een soort vrolijk levensgevoel. Dat het van belang is om dit soort nutteloze dingen over iemand te weten. Maar natuurlijk is het van belang. Het is niet minder dan de zin des levens om dit soort dingen te weten.

En het gaat over een vrolijke vorm van redeneren die schaatst over het flinterdunne natuurijs van de logica.

In de verte staat een boom.

In de verte woont een vogel.

In de verte hangt een wolk.

Die vogel is belangrijk voor mij,

In de verte woont dus een belangrijke vogel.

Die boom is minder belangrijk voor mij

En die wolk zegt me niks.

Zou evengoed een theedoek kunnen zijn,

Voorspelling of achterzak.

Men zegt dat een gedicht ergens over gaat.

Ik zeg dat een gedicht nergens over gaat,

Of ik zeg dat een gedicht niet over ergens gaat.

Maar vandaag zeg ik dat een gedicht ergens over gaat.

In de verte woont dus een belangrijke vogel.

Vandaag ben ik het er helemaal mee eens. Deze gedichten gaan ergens over.