Pa, pas op, stap niet in die auto!

Veel drank en vrouwen, weinig douches en compromissen. James Agee wilde legendarisch heten. Dat hij ook nog briljant was blijkt uit het prachtige, nu vertaalde ‘Een sterfgeval in de familie’.

James Agee: Een sterfgeval in de familie. Vertaald door Nele Ysebaert. Van Oorschot, 396 blz. € 22,50

Toen James Agee in 1955, op 45-jarige leeftijd, overleed was zijn literaire reputatie minimaal. Hij hield zich in leven met het schrijven van (door hem verfoeide) journalistiek en filmscripts – de laatste iets minder verfoeid door een levenslange passie voor de cinema. Zijn Let us now praise famous men, een moeilijk te classificeren non-fictiewerk dat hij samen met fotograaf Walker Evans had gemaakt, werd eerst onuitgeefbaar geacht, later na 1.000 exemplaren in de ramsj gedaan en zou pas bij een heruitgave in 1960 de klassieke status krijgen die het nu heeft. Zijn korte roman The Morning Watch viel een vergelijkbaar lot ten deel. En A Death in the family zou pas postuum verschijnen, maar wel de Pulitzer Prijs winnen.

Dit is het soort biografisch materiaal waarop legendes gebouwd worden, en Agee deed er alles aan om die legende bij zijn leven tot forse proporties op te blazen. Alcoholisme en veelwijverij werden in die jaren gezien als voorwaarden voor, niet bijeffecten van een kunstenaarsbestaan. Agee trouwde driemaal in nauwelijks meer dan tien jaar, en had daarnaast diverse affaires. Maar hij was behalve aantrekkelijk en talentvol volgens de meeste biografen ook onuitstaanbaar driftig, zelfdestructief, agressief tegen vrouwen, compromisloos en weinig geneigd tot persoonlijke hygiëne.

Hoewel Agees postume reputatie hoofdzakelijk gebaseerd is op het boek dat hij samen met Walker Evans maakte (een beschrijving van het leven van drie keuterboergezinnen in het arme Amerikaanse Zuiden, maar door Agees hoogdravende aanpak veel meer dan dat), is A Death in the family toch zijn werkelijke magnum opus. Het is Agees liefdevolle en in een hier en daar briljante stijl geschreven portret van zijn vader, en diens dood bij een auto-ongeluk toen de kleine James (toen nog Rufus geheten) zes jaar was.

Maar wie zich iets van de oorspronkelijke uitgave herinnert, zal in eerste instantie verwonderd opkijken bij deze vertaling. Die is namelijk gebaseerd op een nieuwe, vorig jaar bij de University of Tennessee Press verschenen uitgave, bezorgd door Michael Lofaro. Lofaro heeft jaren besteed aan het bestuderen, herstructureren en restaureren van het oorspronkelijk manuscript – en kwam met een ander boek tevoorschijn, dat vermoedelijk dichter bij Agees bedoelingen staat.

Om te beginnen ontbreekt de proloog, ‘Knoxville: Summer of 1915’, waaraan het boek in eerste instantie een deel van zijn faam ontleende, maar die in feite een al eerder gepubliceerd fragment was (en dat onder die titel voortleeft in de ‘Song for soprano and orchestra’ van Samuel Barber.) De proloog in deze nieuwe uitgave is van een andere allure: de enige overeenkomst is dat ook hier Knoxville de plaats van handeling is.

Maar dit keer maken we een gruwelijke nachtmerrie mee van de (inmiddels volwassen) hoofdpersoon, waarin hij het snel ontbindende lijk van de zojuist vermoorde Johannes de Doper door de straten van die stad sleurt. Diens hoofd laat al snel los van de rest van het lijk, rolt weg en wordt door de hoofdpersoon gestut, maar is het nog wel een hoofd? ‘Het was een bonkige ronde vorm van taaie gelei en haar en baard, en de haren ontsprongen in een woeste stervorm aan het centrum, waar zijn blik viel op een orgaan zo vervormd dat onmogelijk te zien was of het een bloederig starend oog of een geluidloos brullende mond was.’

Is het, in al zijn morbiditeit, een geloofwaardige proloog van een verder zo lyrisch boek? Absoluut. Want de plek waar de hoofdpersoon Johannes naartoe probeert te sleuren is de lievelingsplek vanwaar hij altijd met zijn vader over de stad zat uit te kijken – en die vader verschijnt ook onmiddellijk voor zijn geestesoog als hij ontwaakt, en zich opnieuw realiseert dat ‘zijn hele leven voor alles was gevormd door zijn vader en diens afwezigheid’.

Afgezien van deze proloog is de roman in deze nieuwe versie chronologisch opgebouwd en dat lijkt me een juiste beslissing. De vorige tekstbezorger opende het boek al heel snel met het fatale ongeval, om via flashbacks geleidelijk de achtergrond weg te geven van de affectie van Rufus, een kwetsbaar, angstig en op school gepest jochie, voor zijn vader.

Maar het is juist de prachtige opbouw naar de noodlottige gebeurtenis toe die het boek een soms bijna ondraaglijk gevoel van onafwendbaarheid geeft. De bange voorgevoelens van zijn moeder na de aanschaf van de auto; de gedoseerde verwijzingen naar de drift en drankzucht van zijn vader; het bioscoopbezoek van vader en zoon (een film van Charlie Chaplin, die zijn hele leven Agees idool zou blijven) en het volgende, schitterend beschreven bezoek aan ‘hun’ plekje dat je als stilte voor de storm kunt beschouwen. Het is, hoe uitgesponnen ook, één lang van onheil bezwangerd crescendo, soms zo intens dat je als lezer wel ‘doe het niet!’ wilt roepen als vader de volgende nacht in de auto stapt om zijn eigen zieke vader te bezoeken.

De poëtische, vaak lyrische stijl waarin Agee schrijft lijkt wel het gevolg van een rationele beslissing, getuige een brieffragment dat vertaler Nele Ysebaert in haar nawoord opvoert: ‘Ik denk erover om een hybride stijl te ontwikkelen – proza dat in poëzie overgaat wanneer de situatie om een poëtische uitdrukking vraagt [...] Wat ik wil is een poëtische taal ontwikkelen die zo volmaakt en vlak over de hele reeks gebeurtenissen ligt als de huid over alle organen van het menselijk lichaam, de vitale zowel als de triviale.’ En inderdaad worden tamelijk realistische, maar daarom niet minder beeldende pagina’s vloeiend afgewisseld met onstuimig en meeslepend proza. Werkt het altijd? Nee, daarvoor is de omslag van woorden hier en daar te groot en misschien voor menig hedendaags lezer af en toe zelfs irritant. Maar vergeet daarbij niet dat het Agee ging om een dosering die het effect van het uiteindelijke drama moest vergroten.

Behalve een eerbetoon aan zijn diep betreurde vader is Een Sterfgeval in de Familie ook een gedetailleerd, grotendeels – maar niet consequent – vanuit de optiek van de kleine James/Rufus geschreven portret van die familie. Allereerst van zijn ouders natuurlijk, die een liefdevol maar niet onproblematisch huwelijk hadden; de moeder al te beschermend en vroom op het hysterische af, de vader warm en liefhebbend met veel wereldser besognes en een neiging tot roekeloosheid. Ook de rest van de uitgebreide familie wordt prachtig neergezet. Een mooi hoofdstuk is het bezoek van het gezin aan Rufus’ hoogbejaarde overgrootmoeder, wier blote voeten langzaam over elkaar gaan ‘met een geluid als van dorre bladeren’ en wier gezicht zich herstelt van een kus ‘als licht betreden gras’.

Toch doen de mooiste scènes zich voor als het fatale ongeluk heeft plaatsgehad, met als hoogtepunt het bezoek van de door de kleine Rufus en zijn zusje met vreze waargenomen, angstaanjagende Pastoor Robertson. En de waarheid van de geruchten dat de dood een veel gruwelijker verloop had dan in de versie die de uiteindelijke familiewaarheid vormt, weet de auteur vakkundig in het midden te laten.

Een sterfgeval in de familie is een indrukwekkend boek waarvan sommige delen de lezer nog lang bijblijven. De term meesterwerk dient altijd met grote voorzichtigheid gebruikt te worden, maar Agees enige grote roman mag, in deze gewetensvolle restauratie en Nele Ysebaerts dito vertaling, zeker die kwalificatie dragen.