Overal in de regio hebben bedrijven het nu moeilijk

Noord-Brabant heeft relatief veel industrie en transport. Juist die sectoren hebben het zwaar.

Dat merk je op het industrieterrein bij Tilburg.

De reusachtige loods van expeditiebedrijf Ebrex op het Tilburgse industrieterrein Vossenberg is pas een jaar oud, maar hij is helemaal leeg. In een hoek ligt alleen nog een zak rubberlaarzen. Een groepje werknemers staat een sigaretje te roken bij de chauffeursingang.

Na twee uur wachten komt de curator naar buiten. Een doorstart zit er niet in, het bedrijf is failliet. Het afgelopen weekend is de complete schoenenvoorraad, 7.000 pallets, met stille trom verplaatst naar de buurman, Versteijnen Logistics. De eigenaren van ongeveer één miljoen schoenen lieten de voorraden weghalen, toen duidelijk werd dat Ebrex uitstel van betaling had aangevraagd – om beslaglegging te voorkomen.

De lege loods betekent óók dat er verder geen werk is voor de werknemers van Ebrex. De mannen krijgen hun laatste loonstrookje, groeten elkaar zoals ze altijd al deden, en stappen in hun auto. Dat was het dan. De meesten hebben meer dan vijf jaar samengewerkt, sommigen al langer dan tien jaar.

Het aantal faillissementen in Brabant is in het eerste half jaar meer dan verdubbeld, meldde het CBS deze week. Daarmee doet Brabant het slechter dan de rest van het land. Secretaris Peter van Run van de Brabants-Zeeuwse werkgeversvereniging is niet verrast. „We hebben meer dan andere provincies zware en lichte industrie en internationaal transport. We vinden het verdomd jammer, maar als het buiten stormt kun je alleen de luiken sluiten. We maken bovengemiddeld gebruik van allerlei regelingen, we zoeken elkaar op, we geven elkaar meer tijd om te betalen. Maar we moeten de storm uitzitten.”

Op industrieterrein Vossenberg zitten veel transportbedrijven. In de loods van Reining Transport is het rustig. Het bedrijf heeft volgens vestigingsmanager Henk Groenhuis 40 van de 400 vrachtwagens stilgezet, vanwege de vraaguitval. In Boedapest bouwt Reining een nieuw magazijn, maar de twee loodsen van het bedrijf in Noord-Holland en in Tilburg, met een totale opslagcapaciteit van rond de 100.000 vierkante meter, staan deels leeg. Van de 500 werknemers is een aantal met vakantie. De uitzendkrachten en tijdelijke werknemers zijn naar huis, er is een vacaturestop.

Even verderop, tussen de overslagloodsen en de buitenlandse vrachtwagens, staat een klein bakstenen gebouwtje. Daar is uitzendbureau ADR Transporten gevestigd, gespecialiseerd in het leveren van vrachtwagenchauffeurs en transportplanners. Paul Derks, vestigingsmanager, is blij iemand te zien. Na een jarenlange stijgende vraag vanaf 2003, waarbij ADR groeide van 1 naar 11 vestigingen, implodeerde de vraag naar chauffeurs vanaf eind 2008.

ADR heeft genoeg reserves opgebouwd om deze tijden te overleven, maar de chauffeurs hebben dat geluk niet. „In 2003 werkten we met 16 chauffeurs, in de toptijden in 2007 waren dat er 400. Velen van hen zitten nu thuis. En als je niet werkt, krijg je ook geen geld. Je ziet dat ze zelf gaan charteren, vaak onder de kostprijs. Want de vrachtwagen moet afbetaald worden.”

Op het parkeerterrein van transportbedrijf Versteijnen Logistics staan 20 trucks. De landweggetjes achter het industrieterrein staan vol met lange rijen opleggers. Versteijnen heeft in Nederland en Hongarije zes loodsen, met een totale oppervlakte van zo’n 90.000 vierkante meter. Het bedrijf heeft 185 trucks en 375 medewerkers. Op de twee kantoren in Hongarije werken 140 mensen. In 2008 realiseerde het bedrijf nog een omzet van 60 miljoen euro.

Jorn Versteijnen: „In het eerste kwartaal hebben onze klanten een noodstop gemaakt en zijn ze eerst hun voorraad op gaan maken. Maar de daling is gestabiliseerd.” Versteijnen denkt dat het herstel in het eerste kwartaal van 2010 inzet. Maar hij ziet op de lange duur geen toekomst voor het Nederlandse wagenpark. „Vijftien jaar geleden, in de hoogtijdagen van het Nederlandse vrachtverkeer, reden er 30.000 Nederlandse trucks rond in Europa. Nu rijden er 90.000 Poolse trucks rond. Daar kunnen we niet mee concurreren. Mijn sector verschuift ieder jaar 300 kilometer naar het oosten.”