Men schreef voor hem alleen

Hij zat het liefst buiten in de zon te niksen. Maar Thomas Rap kon het uitgeven niet laten. Hij kreeg geldzorgen, én dankbare auteurs.

Musée du Louvre Nederland, 1999 Thomas Rap Foto: Mark Kohn/Hollandse Hoogte Kohn, Mark;Hollandse Hoogte

Dirk-Jan Arensman: Thomas Rap. Een vrijbuiter in boeken. Thomas Rap, 262 blz. € 14,90

Een warme zomerdag in 1960. De dan 27-jarige Thomas Rap parkeert zijn zwarte Volkswagen Kever ‘met panoramische achterruit’ nabij een Larens restaurant. Rap ontmoet op het terras journalist Rik Kuethe, aan wie hij nog diezelfde dag zijn toekomstplannen ontvouwt. ‘Jonge vriend, ik hoef er niet eens met je om te wedden, over vijf jaar heb ik een eigen uitgeverij.’

De tot dat moment flierefluitende Rap houdt woord en zou tot zijn dood in juli 1999 bijna veertig jaar lang één van de meest gezichtsbepalende mensen in de Nederlandse uitgeverswereld zijn.

In zijn fonds zaten veel boeken die domweg verschenen, omdat Rap wilde dat ze verschenen en waarmee niet meteen op enorme oplages werd ingezet, hoewel ook Gerard Kornelis van het Reve en Willem Frederik Hermans bij Rap publiceerden. En zo nu en dan wist hij auteurs aan zich te binden die door hun grote populariteit het schip drijvende hielden, zoals Heere Heeresma in de jaren zeventig en Youp van ’t Hek vanaf eind jaren tachtig. Met zulke schrijvers aan boord kon Rap de kleine, afwijkende boekjes waar hij het meest van hield, uit blijven geven.

Maar wie was die man die ons vanaf het omslag van het net verschenen portret van de hand van journalist Dirk-Jan Arensman (1974) zo opgewekt en jongensachtig aankijkt? Arensman sprak familieleden, collega-uitgevers, vrienden en auteurs van Rap en slaagde erin een toegankelijke schets te maken van een man die halverwege de jaren zestig bijna bij toeval in het uitgeversvak terechtkwam en toen niet meer terugkon. ‘We zijn een paar boekjes gaan maken, omdat we dat leuk vonden’, zei Rap in 1967 in de Volkskrant. ‘En dan loopt het ineens uit de hand. Nou moeten we hard werken. Dat is de pest. Voor iedereen.’

Die weerzin tegen dat ‘moeten werken’ uit bovenstaand citaat kwam voort uit Raps levenshouding. Hij was, hoewel hij al heel jong wees werd, een levensgenieter die ‘gewoon buiten wilde zijn als de zon scheen’. De drukte die al in zijn eerste uitgeversjaar op hem afkwam, had hij dan ook grotendeels aan z’n eigen enthousiasme en zijn sociale aanleg te danken. Reve (Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard) en Hermans (herdruk van het befaamde, polemische Mandarijnen op zwavelzuur) wist hij dankzij zijn hemel bestormende en prettig brutale instelling al bij zijn debuut (1967) als uitgever te strikken.

Erg lucratief waren de publicaties door de jaren heen lang niet altijd, maar om hoge winstcijfers was Rap niet in het vak gestapt. ‘De randgebieduitgever’, zoals hij zichzelf noemde, liet zich in een interview laatdunkend uit over sommige collega’s. ‘Ze pluggen en rotzooien. Zonder enthousiasme. Alsof het worst is. Maar een boek verkoop je omdat het mooi is. [...] Eerlijkheid, authenticiteit, dat staat voorop.’

Die weinig commerciële instelling leverde hem ook de nodige kopzorgen op. Maar zowel Mensje van Keulen (die bij Rap het bejubelde Bleekers zomer uitbracht) als Van ’t Hek wijst in het boek op Raps eigenschap die niet breeduit te laten hangen. ‘Je wist, zonder dat hij het uitsprak: hij moet zorgen hebben’, aldus Van Keulen. En Van ’t Hek: ‘Met Thomas ging het altijd wel goed. Ook als het helemaal niet goed ging.’ De vrolijk anarchistische aanpak die Rap typeerde, was definitief voorbij toen hij in 1982, na een aantal jaren van verlies, gedwongen werd zijn handel bij Bert Bakker onder te brengen.

Na een korte, ietwat deprimerende tijd in loondienst bij Elsevier halverwege de jaren tachtig (‘Ik moet me daar verantwoorden voor een póstzegel!’) begon hij al snel weer voor zichzelf. Hij moedigde Youp van ’t Hek aan om over diens Gooise jeugd te schrijven (met alle commerciële gevolgen van dien), lanceerde de ‘Sportbibliotheek’ en ging in de loop van de jaren negentig op zoek naar een opvolger. Die werd weliswaar niet gevonden, maar een oplossing diende zich aan toen De Bezige Bij het bedrijf overnam.

Het wonderlijkste is dat Rap, die toch jarenlang voor een groot deel verantwoordelijk was voor de inkomsten van anderen, met zo weinig mensen in conflict lijkt te zijn geraakt. Het is mogelijk dat biograaf Arensman het onderwerp heeft vermeden, maar het lijkt waarschijnlijker dat Rap óf met een grote boog om confrontaties heenliep, óf zelf de klappen maar opving. Met ‘zijn’ auteurs onderhield hij veelal een warme, informele band. Cherry Duyns, die ook enkele Rap-boeken op zijn naam heeft, zegt op een bepaald moment ‘dat hij het gevoel had dat hij het voor hem (Rap) deed, dat schrijven’.

En genereus was hij ook, want aan de grond zittende auteurs uit zijn stal konden altijd even rond lunchtijd op de uitgeverij om een broodje mee eten. En een schrijfster die nog geen cent had binnengebracht, mocht een greep doen uit de kleine kas om een nieuwe jurk te kopen. Van ’t Hek, die Raps doorstart in de jaren tachtig financieel stutte, werd uit dank aandeelhouder van het bedrijf en zag bij z’n eerste uitkering van een tantième dat ‘dat meteen al het zeven- of achtvoudige bedrag was van wat ik hem had geleend’.

Thomas Rap is geen volledige biografie, daarvoor zijn vooral Raps getroebleerde jeugdjaren te onbesproken gelaten, maar dat is dan Arensmans intentie ook niet geweest. Het boek is op de eerste plaats een ode aan een uitgever wiens ‘boekjesbedenken’, zoals één van Raps dochters het noemt, voor veel auteurs veel heeft betekend. En voor de lezers van die boeken.