Marktlui de dupe van ruzie binnen elite

De Tsjerkizovskimarkt in Moskou moest ineens dicht. Ze was vies, gevaarlijk, zei de Staat. In werkelijkheid gaat het om geld, macht en persoonlijke vetes.

Een marktkoopman haalt zijn spullen weg van de Tsjerkizovskimarkt in Moskou, die op last van de autoriteiten is gesloten. Er zou smokkelwaar worden verkocht. Foto Oleg Klimov Vendors must remove their goods from Cherkizovo market, but first they have to pay "illegal taxes" to pick up your goods For the article by Michel Krielaars. the foreign Desk. Photo by Oleg Klimov sjouwen zware last NRC

Voor het toegangshek van de Tsjerkizovskimarkt in het noordoosten van Moskou lummelen tientallen Azeri, Armeniërs en Chinezen rond. De handen in de zakken, de blik naar de grond. Ze worden nauwlettend in de gaten gehouden door een groepje agenten. „Niemand mag naar binnen”, zegt marktbewaker Sergej, die ieder toelatingsverzoek blaffend afhandelt.

Dan bekent hij te betreuren dat de markt dicht is. „Ik werk hier al tien jaar”, zegt hij. „Tot juni kreeg ik mijn salaris nog, toen was het ineens 30 procent minder en nu krijg ik helemaal niets. Ze hebben de markt gesloten omdat het er onhygiënisch en vies zou zijn. Maar dat is een leugen, want dit was de schoonste, meeste geordende en opgeruimde markt van Moskou. De andere markten verkeren in veel slechtere staat en zijn nog gewoon open.”

De Tsjerkizovskimarkt, gevestigd op een 230 hectare groot terrein, moest op 29 juni ineens sluiten. Op gezag van de autoriteiten, die beweerden dat een op de veertig marktkooplieden een besmettelijke ziekte als tbc of syfilis had en dat de markt brandgevaarlijk was. Honderdduizend migranten, de helft van hen afkomstig uit China, zaten ineens zonder werk. De Moskouse Chinatown, met zijn eigen cafés, eethuisjes, bordelen en casino’s werd met een pennenstreek van de kaart geveegd.

Al gauw bleek dat de sluiting een andere oorzaak had: een ruzie tussen de uitbater van de markt, oligarch Telman Ismailov, en premier Vladimir Poetin. Ismailov, een immigrant uit Azerbajdzjan en vriend van de door Poetin gehate Moskouse burgemeester Joeri Loezjkov, had in de jaren negentig miljarden dollars verdiend op de Tsjerkizovskimarkt, een belangrijk distributiepunt voor Chinese importproducten. Toen hij een deel van zijn vermogen besteedde aan de bouw van een enorm luxehotel aan de Turkse kust, haalde hij zich de woede van Poetin op de hals, die in Rusland tegenwoordig als de oppertoezichthouder over het zakenleven en de praktijken van de oligarchen wordt gezien.

In een kabinetszitting op 1 juni kwam Poetin ineens met beschuldigingen jegens Ismailov aanzetten. „Het gevecht is begonnen, al zijn er nog geen resultaten”, zei hij, verwijzend naar de smokkelpraktijken op de markt.

Die resultaten zijn er inmiddels, gezien de honderdduizend gedupeerden. De Chinese regering stuurde zelfs nog een hoge delegatie naar het Kremlin om over heropening van de markt te onderhandelen. Het was tevergeefs.

„Ze gaan hier flats en een sportcomplex neerzetten”, zegt Eltsjing Nazirov uit Baku, die vijftien jaar lang op de Tsjerkizovski-markt kleding verkocht en nu met twaalf landgenoten op de toekomst zit te wachten. „De grond hier is goud waard en die is van de overheid. Aan Ismailov ligt het niet dat de markt dicht is, hij is een prima vent. Maar hij is het slachtoffer van de politiek en concurrerende oligarchen. Als door die ruzie moeten wij nu terug naar Azerbajdzjan.”

Nazirov hoeft de markt niet meer op. Hij heeft al zijn goederen al weggehaald, al wil hij niet zeggen of hij steekpenningen aan de bewakers heeft betaald, zoals de geruchten gaan. Anders is het gesteld met drie Chinezen die zich nu voor het hek verdringen. „De helft van onze handelswaar ligt nog in onze kraam”, zegt de 33-jarige Koen Tsjang in gebrekkig Russisch. Hij toont zijn witte werkkaart, die hij voor veel geld heeft kunnen kopen. Om zijn spullen te kunnen weghalen heeft hij ook een blauwe kaart nodig. „Voor die blauwe zal hij steekpenningen moeten betalen”, zegt de Armeniër Robert Navizjan. „Maar die witte koop je zo voor 200 dollar. Al ziet iedere agent natuurlijk zo dat het een vervalsing is. Maar dan valt er voor hem ook weer eens wat te verdienen.”

De politie komt nu aanzetten. „Geen samenscholing hier”, beveelt hun commandant, doelend op de protesten van enkele weken geleden, toen honderden Chinezen de hoofdweg bij de markt blokkeerden. De drie Chinezen stuiven weg, in de richting van de slagboom die toegang verleent tot een ander deel van de Moskouse markt. Ze verdwijnen met twee politiemannen in een hok.

Vijfhonderd meter verderop zitten twee Vietnamezen op een hekje dat door een groenstrookje van het marktterrein wordt gescheiden. „Wij hebben 50.000 roebel (1.000 euro) aan de bewakers moeten betalen om onze spullen weg te mogen halen”, zegt een van hen, de 30-jarige An, die tien jaar op de markt stond. „En wij hebben nog geluk gehad, want in de eerste dagen na de sluiting moest je tussen de 80.000 en 100.000 roebel aan steekpenningen betalen. We hopen nu dat we op een andere markt terecht kunnen, maar daar is de huur meestal krankzinnig hoog. En daarom zitten we nu hier. Want we weten eigenlijk niet waar we heen moeten.”

De meeste Chinezen hebben de afgelopen weken elders onderdak gevonden, in een megawinkelcentrum in de wijk Ljoeblino aan de zuidoostelijke rand van Moskou. Maar ook daar is hun toekomst onzeker, want de plaatsvervangend prefect van dat gebied, Aleksandr Smorjakov, overweegt hen binnenkort te verjagen om de handel in goedkope waar in het winkelcentrum terug te dringen.

Aan de andere kant van het terrein van de Tsjerkizovskimarkt, achter een universitair sportcomplex waar Chinese en Tadzjiekse marktkooplieden tot voor kort in de kelders sliepen, ligt het drie jaar geleden gerenoveerde deel van de Tsjerkizovskimarkt. Er wordt druk gesjouwd en gesleept. Donkere gezichten van sjouwers en straatventers stralen armoede en overlevingsdrang uit. In de markthallen ligt het vol rotzooi: achtergelaten nieuwe schoenparen, rompen van paspoppen, kleding, matrassen. „Doorlopen, jullie”, zegt een bewaker tegen pottenkijkers.

Twee vrouwen die een karretje met balen kleding voortduwen zijn de wanhoop nabij. „Hoeveel kunnen we nog aan de bewakers betalen?” vraagt de een de ander. „We hebben bijna niets meer.”

In het laadruim van haar kleine bestelbusje zit Anja op haar handelswaar. „Ik heb dertien jaar met kleding op deze markt gestaan en nu is het ineens voorbij”, zegt ze. „Geld om op een andere markt een kraam te huren hebben we niet, want je betaalt daar al gauw een miljoen roebel (22.000 euro) per maand aan huur. Dus nu gaan we failliet.” Ze kijkt verslagen naar haar man die met de laatste kledingbalen komt aanzetten.

„Natuurlijk is het goed om iets nieuws te bouwen”, zegt Joera, die voor de marktkooplieden goederen transporteert met zijn vrachtwagentje. „Maar ze vergeten wat ze hier afbreken. De kwaliteit van de spullen op deze markt was misschien niet altijd even goed, maar dat wist iedereen die er kocht. En nu vergeet je hier bijna wat het is om mens te zijn.”