Lelijk ding

Gert Jan Kocken, ‘Judenporzellan’ Gert Jan Kocken, uit het project Judenporzellan, 2009 Kocken, Gert Jan

‘Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding”, zei mijn oma met gedragen stem, terwijl ze met een wijsvinger een orkest dirigeerde dat allang naar huis was gegaan. Ik knikte, maar had niet begrepen wat ze bedoelde. De buurvrouw, die net nog stralend van geluk haar nieuwe schoenen aan ons had laten zien, stormde huilend de kamer uit.

Mijn oma sprak zelden over haar verleden. Als ze al iets vertelde, was het tegenstrijdig met verhalen die ze eerder had verteld. Ik vroeg me af of er in Polen, waar mijn oma vandaan kwam, veel apen waren. Waarom vond ze deze dieren lelijk en waarom noemde ze een aap een ding? Tot op de dag van vandaag heb ik geprobeerd te zien wat er lelijk is aan een aap. Ik heb nog nooit een orang-oetan, gorilla, chimpansee of baviaan op lelijkheid kunnen betrappen. Zo lang apen op apen lijken, vind ik ze er geslaagd uitzien.

Kunstenaar Gert Jan Kocken herinnerde me aan het raadsel van de lelijke aap. Hij presenteert in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam twee foto’s aan de wand, elk van een porseleinen aap. Twee stapels posters met de apen liggen daarbij op de grond.

Ik heb van beide apen een flinke stapel meegenomen. Van mijn oma leerde ik dat je alles wat gratis is in grote hoeveelheden mee moet nemen. Ze leerde me soep koken van brandnetels die we plukten langs de kant van de weg. Brandnetels zouden haar en haar zussen van de hongersdood hebben gered toen ze in 1920 vanuit Katowice naar Duitsland liepen. Terwijl ik met mijn oma de markt bezocht, vulde haar boodschappentas zich op magische wijze, zonder dat ze haar portemonnee ook maar één keer tevoorschijn haalde, met sinaasappels, taart, kniekousen en linnen zakdoeken.

De apen die Kocken fotografeerde, zijn levensgroot en allebei van wit porselein. De ene aap gluurt door zijn vingers en kijkt scheel. Hij heeft de bek opengesperd en laat zijn tanden zien. Hij heeft een weelderige vacht, voor zover dat kan van porselein. Aan zijn voeten zit een klein aapje dat een hand uitstrekt, alsof het de grote aap probeert gerust te stellen. De aap op de andere foto kijkt intelligent opzij bij het happen naar een vrucht. De lichaamspose van dit dier is kalm.

De aap die lelijk wordt genoemd, zou er een van de twintig zijn geweest die de Duits-joodse filosoof Moses Mendelssohn (1729-1786) verplicht was te kopen om burgerrechten te verwerven. Een Pruisische wet bepaalde dat joden tegen aankoop van porselein van de Königliche Porzellan Manufaktur burgerrechten konden verwerven. De koper van het porselein had niets te zeggen over wat hij aanschafte. In 1982 besloot men in een tentoonstelling deze geschiedenis in beeld te brengen. Toen een van Mendelssohns apen gebruikt zou worden ter illustratie van de gedwongen porseleinafname, besloten de curatoren een mooiere aap neer te zetten. Men vond de geschiedenis al beladen en wellicht lelijk genoeg.

Mijn oma’s geschiedenis bestaat uit gebeurtenissen die soms wel en soms niet hadden plaatsgevonden. Ze maakte afstanden groter en kleiner, mensen mooi en lelijk, al naar gelang het verhaal dat ze vertelde. De geschiedenis werd tot aan haar dood bijgevijld. Kocken toont aan de hand van de apen wat als mooi en lelijk wordt ervaren. Daarnaast laat hij zien dat geschiedenis onuitputtelijk is als de boodschappentas van mijn oma. Er kan altijd nog wel een verhaal bij.