Koken op een kokosnoot

Mensen onderscheiden zich van andere dieren door woorden te bedenken voor alles wat ze niet snappen. Instinct is zo een vondst. Als je niet begrijpt waarom iemand iets doet, zeg je dat het zijn instinct is. Een miljoen mannen in Nederland en tweehonderd vrouwen zitten morgen aan of op het water met een hengel.

Vangen ze een vis, dan doen ze het meest onwaarschijnlijke wat je er mee doen kunt, ze gooien hem terug in het water.

Had je hem net zo goed niet kunnen vangen. Maar daar komt de verklaring. Het is het instinct dat mannen naar het water dwingt. Ook als je geen vis nodig hebt, wil je er een vangen. Er zijn varianten verzonnen; het moederinstinct bijvoorbeeld.

Mannen hebben jagersinstinct, een typisch oerinstinct, want van heel vroeger. Toen zat er niks anders op dan te jagen. Oermannen hadden het instinct nog niet, maar honger. Ze joegen op eten en kregen daar dan van lieverlee het instinct van. Als in de toekomst de aardolie op is en mannen op elektrische fietsen vergeten te bellen maar tuuttuut roepen, is dat hun automobilisteninstinct. Van vroeger, logisch. Fik stoken valt er ook onder. Het is niet echt nodig meer, maar iets roept de man de deur uit, naar buiten naar het oer-vuur. De barbecue.

In veel Afrikaanse landen, ook in de steden, speelt het instinct nog niet op, er wordt gewoon gekookt op houtskoolvuurtjes uit noodzaak, vaak door vrouwen. Het liefst met zo weinig mogelijk houtskool, want het is duur. Als het beschikbaar is en ze kunnen het betalen, koken ze liever op butaan, propaan, of een mengsel daarvan uit een gasflesje. Maar voor de meesten is houtskool de enige bron van gloeiende hitte om wat op te koken. Hoogrendement houtskoolvuurtjes zouden Afrika een zegen zijn. Ze zijn er in soorten, vooral op papier, ook in Nederlandse publicaties over zuinig en rookloos vuur voor Afrika. In Zuid-Afrika is een kookoventje gemaakt van aardewerk dat zuinig stookt. Een metalen variant ervan, gemaakt in China naar Zuid Afrikaans ontwerp, verovert nu de rijke wereld. Het oventje is in deze rubriek al eens bejubeld. De Cobb. Veel minder avontuurlijk fik stoken, mijnheer – je hoeft niet meer met gevaar voor eigen leven een worstje boven de verzengende hitte om te draaien – en sjouwen met grote zakken houtskool is er ook niet meer bij. Het instinct schiet er nogal bij in, maar stoven, bakken en braden gaat geweldig.

Cobb heeft iets nieuws. In het midden van het oventje is een rond vuurkorfje geplaatst. Een handvol houtskool kan er in of wat briketten. Genoeg vuur voor het maal van een groot gezin. Door de slimme bouw van de oven die de warmte niet vermorst.

Stoken kan nu nog makkelijker met een wiel van kool, 15 centimeter doorsnee, dat precies in de vuurkorf past. Cobb noemt de schijf brandstof Cobble Stone en hoefde die naam niet zelf te bedenken. Hij bestaat al lang. Het betekent ronde steen, kei, kinderhoofdje, klinker. De eerste verharde wegen waren geplaveid met cobble stones.

Het belangrijkste ingrediënt van de vuurschijf die niet vlamt maar twee uur aaneen gloeit, is gemalen kokosnotenbast. Dus een ‘renewable’ energiebron, zegt de verpakking, die de brandstof ook biologisch (organic) noemt en milieuvriendelijk. Maar stukken duurder dan een straatklinker.

Internetverzendhuizen vragen voor zes gloeiwielen – die ook buiten de Cobb gebruikt kunnen worden – bijna 17 euro plus verzendkosten (www.cobb.nl).

Het zuinigheidsinstinct speelt hierbij op, waar, naar men zegt vooral Hollanders veel van hebben.

Wouter Klootwijk