Hoofdstuk 8

Het was nog een hele klus om de mantelmeeuw van zijn gps-zenderrugzakje te ontdoen. En om het zelf aan te trekken. Maar met hulp van de duinkauw lukte het ons het strakzittende rugzakje van de meeuwse rug op mijn rug te krijgen. Nu was ik, Jack de Kauw, gezenderd. Elke beweging die ik nu maakte ging als signaal omhoog naar een satelliet, en werd door wetenschappers bestudeerd, die dachten dat ik een kleine mantelmeeuw was. Ha!

De meeuw vloog dankbaar weg, en ik ging op de wieken om nog wat op Texel rond te kijken. Bij de kerktoren in Den Burg trof ik een groepje somber kijkende kauwen. Ze vroegen wat ik op mijn rug had. Ik legde uit dat ik de wetenschap een loer draaide. Vonden ze leuk. Temeer omdat ze zelf ook last hadden van de mens. „Eerst ging het nog wel”, zei de baas van de torenkauwen. „Er woonde een echte dierenvriend hier op het eiland, Jan de Walgvogel noemden wij hem. Legde zoetig spul voor ons neer. Bestrooid met poedersuiker. Een traktatie voor de snavel! Maar sinds hij is overleden, is het mis. De mensen vinden dat we met te veel zijn. Dat we te veel poepen, dat we te brutaal zijn, dat we te veel lawaai maken. Ze hebben speciaal voor ons kauwenvangkooien neergezet. Wie er in vliegt, wordt de nek omgedraaid.”

Daar keek ik van op. Het leek zo’n vogelparadijs, Texel. De kauwen lieten me zo’n kooi zien: een zwarte constructie overspannen met gaas. Ik was in een rebelse stemming. „Laten we de boel gewoon onderschijten”, zei ik, „zodat het zaakje echt stinkt.” Dat leek de Texelse kauwen wel wat. Dus we cirkelden over de kooi, krijsend en schijtend. Zwart werd wit vandaag. Man, wat voelde ik me ineens goed daar, met mijn vrienden, in de lucht. „Bij de haven staat nog zo’n vangkooi”, zei een van de dorpskauwen. „Dan gaan we daar ook heen”, riep ik. Als een opgetogen wolk zwarte vlerken gingen we er op af. Er zat een sneu kauwtje in die kooi, dat smeekte om bevrijd te worden. Met veel gepiel lukte het ons de kooi te openen. Daarna sproeiden we de boel er flink onder. Over de Waddenzee zag ik de boot uit Harlingen de haven binnenkomen. „Jongens”, zei ik, „het is mooi geweest. Mijn vakantie zit er op. Ik ga terug naar het vaste land.” Mijn kameraden vonden het jammer, maar ze begrepen het.

Ik voelde me weer vrij man. Ik kon van alles gaan doen. Dat ik het zendapparaatje van een meeuw op had, verhoogde de pret alleen maar. Het idee, dat ik, Jack de Kauw, bij iedere beweging die ik maakte de mensen verneukte, gaf me extra energie. Ik steeg op, en studenten van de Universiteit van Amsterdam dachten dat de kleine mantelmeeuw nummer 418.777 van Texel naar Amsterdam vloog.

EINDE

Lezersfoto's van Jack plus muziekclip en vorige afleveringen: nrc.nl/achterpagina

Frits Abrahams is maandag terug