Frankrijk en Duitsland kopen hun groei met overheidssteun

De onverwachte groei in Frankrijk en Duitsland wordt vooral veroorzaakt door staatsteun. De groei is mager, maar niet geheel betekenisloos.

Echt nieuws komt als een verrassing.

De cijfers die Frankrijk en Duitsland gisteren bekendmaakten over hun economische groei in het tweede kwartaal waren wat dat betreft echt nieuws. Iedereen, zelfs de regeringen van beide landen, had rekening gehouden met weer een kwartaal van economische krimp. Maar nee hoor, de twee grootste economieën van Europa groeien weer. Niet de Verenigde Staten ontworstelen zich als eerste aan de recessie, maar twee Europese grootmachten.

De positieve groeicijfers werden direct vertaald als een ‘einde van de recessie’-signaal. Feitelijk klopt dat ook, omdat een recessie in technische zin twee kwartalen van krimp vergt. Als er dan groei is, is de recessie voorbij. Aandelenbeurzen spoten omhoog na het nieuws. En als gevolg van de onverwachte groei in Frankrijk en Duitsland kwam ook de snelle neergang van de economie van de eurozone tot stilstand. In plaats van een krimp van 2,5 procent op kwartaalbasis (zoals in de eerste drie maanden van 2009 werd gerapporteerd), kromp de euro-economie nog maar met 0,1 procent. De groeicijfers van Spanje (een kwartaalkrimp van 1 procent) waren daar nog niet in verdisconteerd, waardoor per saldo de krimp iets groter zal zijn dan gemeld, maar toch.

Waar komt de verrassing vandaan? De groei in Frankrijk en Duitsland kent een aantal componenten. In Duitsland bijvoorbeeld trok het aantal orders voor de maakindustrie weer aan. En in Frankrijk trok de buitenlandse handel aan, die 0,9 procentpunt bijdroeg aan de groei.

Dat de groei, hoewel mager, niet geheel betekenisloos is, blijkt wel uit het feit dat de groei plaatsvond ondanks een verdere afbouw van voorraden van het bedrijfsleven. Dat is een gunstig signaal, omdat de vraag die ontstaat als de voorraden op zijn, kan bijdragen aan het vasthouden van de groei in latere kwartalen.

De grootste hulp kwam echter van het aantrekken van de consumentenbestedingen. Die werden op hun beurt weer aangejaagd door de overheid. Frankrijk en Duistland hebben van alle landen in de eurozone het meest in hun eigen economieën geïnvesteerd (zie grafiek). Frankrijk pompte tot nu toe 33 miljard dollar in de economie (1,3 procent van het bruto binnenlands product), Duitsland zelfs 103 miljard dollar, ofwel 1,6 procent van het bbp. Met name de sloopregeling voor oude auto’s helpt daarbij. Niet toevallig produceren zowel Frankrijk als Duitsland zelf hun auto’s. Een voordeel dat bijvoorbeeld Nederland niet heeft.

De grootste verrassing zit hem misschien wel in de conclusie dat Keynesiaans begrotingsbeleid kennelijk werkt. Overheden die tegen de conjunctuurcyclus in hun uitgaven opjagen om de ergste klap van de recessie te dempen, doen het dus goed, zo lijkt het. Goed in de zin dat landen die daar fors op in hebben gezet, nu als eerste weer beginnen te groeien.

De vraag is echter of de gevolgen voor de langere termijn niet kwalijker zijn dan het positieve effect nu. De staatsschulden in bijna alle landen zijn door de crisis in rap tempo opgelopen, waarmee komende generaties worden opgescheept met torenhoge rentes en aflossingen. Daar staat tegenover dat diezelfde komende generaties ook profiteren van de uitgaven die nu gedaan zijn.

Optimisme overheerst dus na de groeicijfers, maar risico’s zijn er ook. Wat als het effect van de staatssteun weer wegebt? Is de private sector dan sterk genoeg om het alleen af te kunnen? En wat te denken van het groeiend aantal faillissementen en de daardoor nog steeds toenemende werkloosheid, ook in Frankrijk en Duitsland. Daarbij, de kwartaal-op-kwartaal-groei die gisteren gerapporteerd werd, is niet de meest stabiele manier om naar de economische groei te kijken. Jaar-op-jaar laten ook Duitsland en Frankrijk nog een forse krimp zien, van respectievelijk 5,9 en 2,6 procent.

Daarbij is het maar de vraag of de kwartaalgroei in de twee grootste euro-economieën voldoende is om de hele eurozone uit het slop te trekken. Italië en Spanje, na Frankrijk en Duitsland de grootste economieën in de eurozone, staan er nog steeds beroerd voor. Italië kromp vorig kwartaal 0,5 procent, Spanje zelfs een vol procent, zo werd vanmorgen bekend. Ook Groot-Brittannië, geen euroland maar wel belangrijk voor de Unie, krimpt nog fors, met 0,8 procent.

Desalniettemin is het volgens weekblad The Economist al een hele ommekeer dat er nu gesproken wordt over hoe sterk het herstel is, in plaats van wanneer het herstel gaat komen.