Een behoedzaam opererende rebel

Barack Obama beseft dat hij een eigen identiteit als Afro-Amerikaan heeft gekozen.

Twee boeken plaatsen de president en zijn verkiezings-strijd in raciaal perspectief.

Het was minder spectaculair dan de maanlanding en Woodstock, maar zeker zo belangrijk: 40 jaar geleden begonnen elite-universiteiten in Amerika systematisch minderheden te werven. Vóór 1969 waren Afro-Amerikaanse studenten voor hun academische opleiding aangewezen op ‘zwarte universiteiten’. Dankzij affirmative action, positieve discriminatie, werden zij daarna ook aangenomen door zogeheten Ivy League-universiteiten.

Veertig jaar later heeft Amerika een president die symbool staat voor het succes van dit beleid. Barack Obama studeerde aan de Columbia Universiteit in de stad New York. Na een kortstondig verblijf in Boston deed hij een vervolgstudie rechten op Harvard. Ruim een half jaar na zijn aantreden lopen de meningen nog altijd uiteen over de vraag wat voor soort president hij is: een idealist die ‘het systeem’ wil ombuigen ten gunste van minderheden en minderbedeelden, of een gematigd politicus die alleen wat andere accenten legt.

Zijn Republikeinse tegenstanders hebben het antwoord klaar: Obama is een on-Amerikaanse socialist die het kapitalistische karakter van het land wil veranderen. Progressief Amerika trekt voorlopig de conclusie dat de president veel gematigder is dan verwacht, in zijn buitenlands beleid wijzend op de troepenuitbreiding in Afghanistan en zijn halfslachtige pogingen om de gevangenis van Guantánamo Bay in Cuba te sluiten. In de binnenlandse politiek heeft hij de financiële sector gesteund met forse kapitaalinjecties, maar tot een cultuuromslag heeft dat niet geleid. De hervorming van de gezondheidszorg, het grote project van dit najaar, zal óf stranden óf minder drastisch zijn dan zij hadden gehoopt.

Intussen zijn de eerste boeken verschenen waarin wordt teruggeblikt op de verkiezingscampagne. The Breakthrough, van presentator en journalist Gwen Ifill van Public Broadcasting System (PBS) concentreert zich op de onrust en hoop die de opkomst van Obama veroorzaakte onder zwarte Amerikanen. Renegade, van tv-analist en voormalig journalist (Newsweek) Richard Wolffe, is een boek in een zeer Amerikaans genre: een verslaggever die er vanaf het begin bij was, blikt terug op de campagne.

Ifill sprak met tientallen Afro-Amerikanen, zowel veteranen van de burgerrechtenstrijd als de generatie van de president. Het resultaat is een warrig boek, vaak niet meer dan een opeenstapeling van citaten die in willekeurige hoofdstukken zijn gepropt. Maar één ding blijkt duidelijk: de opkomst van Obama was voor de zwarte mannen die aan de frontlinie voor gelijke burgerrechten hadden gestreden, net zo moeilijk te duiden of zelfs te verkroppen als voor conservatieve blanken. Vreemd is dat niet. In de zwarte gemeenschap hadden en hebben de volgelingen van Martin Luther King en diens radicale geestverwanten van Black Power een bijna heilige status. Ze ontleenden hun prestige aan de confrontatie met het blanke gezag. Een nieuwe generatie Afro-Amerikanen nam geen genoegen meer met de status quo. Ifill citeert Eddie Glaude jr. (1968), docent in Princeton: ‘Wij zien er anders uit en drukken ons uit in een andere taal’. Vandaar dat de meerderheid van de zwarte elite zich aanvankelijk aangetrokken voelde tot Hillary Clinton; een veilige keuze vergeleken met de moeilijk te plaatsen Obama.

Renegade, afvallige, rebel, was de naam van de Amerikaanse geheime dienst voor presidentskandidaat Obama. Richard Wolffe voorziet de term in zijn nuchter getoonzette boek van kwalificaties. Obama was vooral een behoedzaam opererende rebel. Hij liet niets aan het toeval over. Hij viel nooit te betrappen op onverwachte acties of overhaaste beslissingen. Zijn campagne was goed georganiseerd volgens het model dat hij als buurtwerker in Chicago had ontwikkeld. Hij ging uit van zijn retorische gaven, was trefzeker in de keuze van zijn staf en mikte op jonge en onafhankelijke kiezers. Hij greep snel in toen er problemen dreigden. Bij de kwestie met de radicale dominee Jeremiah Wright hield hij een uitstekende toespraak over ras, waarmee hij twijfels wegnam over een vermeende verborgen agenda (lees: een woedende zwarte man die de VS voorgoed wil veranderen). Tijdens de dreigende ineenstorting van het financiële systeem verlegde hij het zwaartepunt van zijn campagne van de late avond naar de vroege ochtend, om de concurrentie voor te blijven.

Het was Obama die Wolffe de suggestie deed er een boek over te schrijven. Wolffe aarzelde: wie zat er na een uitputtend gevolgd politiek gevecht van bijna twee jaar nog te wachten op een boek? Was een traditioneel campagneverslag bovendien niet achterhaald?

Wolffe bezweek uiteindelijk voor de verleiding, met als resultaat dat Renegade allesbehalve een saai boek is geworden. Zo legt hij in het fraaie hoofdstuk ‘De Beslisser’ een verband tussen het karakter van Obama en de rebellie van zijn ouders. Zijn ambitieuze Afrikaanse vader nam geen genoegen met zijn Keniaanse afkomst, studeerde in Amerika, keerde zonder zijn zoon Barry én met een andere vrouw dan diens moeder terug naar Afrika. Zijn vrijgevochten blanke moeder was een idealist die haar zoon onderbracht bij haar ouders in Hawaii, om onderzoek te doen in Indonesië.

Barry bezocht het continent van de VS voor het eerst op elfjarige leeftijd, in gezelschap van zijn moeder en oma. Toen hij aan Columbia University studeerde, koos Obama ervoor zich als Afro-Amerikaan te profileren. Hij veranderde zijn voornaam in Barack. Hij vond rust in Chicago, als buurtwerker en bij zijn vrouw Michelle. Tegen Wolffe zegt hij: ‘Ik zocht mijn wortels in een Amerikaanse stad en een Amerikaanse context en wilde vandaaruit verder. Er was een vorm van gewichtloosheid aan mijn leven daarvoor, in de zin dat ik op een bepaald niveau altijd een buitenstaander bleef. Maar in een bepaald opzicht bevredigde dat toch niet. Hoewel het nog wel in mij zit, die Wanderlust.’

Die onthechte kijk op zijn achtergrond en leven vormt de kern van zijn persoonlijkheid. Obama beseft dat hij een eigen identiteit als Afro-Amerikaan heeft gekozen. Niet dat hij zich ervoor schaamt – being Barack Obama turns out a pretty good gig, zegt hij tegen campagnestrateeg David Axelrod – maar het had ook anders kunnen uitpakken: een blanke huid was weliswaar geen optie, een ‘blanke identiteit’ als zoon van zijn moeder wellicht wel. Datzelfde geldt voor zijn campagne: hij is kandidaat, wil winnen, maar het killersinstinct en de verzengende ambitie van zijn voorgangers ontbreekt. ‘Als ik niet aan de campagne had deelgenomen, zou ik deze verkiezing graag als waarnemer hebben gevolgd’, zegt Obama tegen Wolffe.

Niet alleen Republikeinen en veteranen van de burgerrechtenstrijd vroegen zich af of hij wel Amerikaans of herkenbaar genoeg was. De campagnestrateeg van Hillary Clinton, Mark Penn, wees in een vroeg stadium van de campagne al op een ‘gebrek aan Amerikaanse wortels’ die ‘een zeer grote zwakte aan het licht’ zou brengen: Obama zou onvoldoende kennis van of band met Amerikaanse waarden en cultuur hebben. Penns advies aan Clinton: gebruik het woord Amerikaans zo vaak mogelijk, tegen een achtergrond waarin de vlag prominent aanwezig is. Clinton sloeg zijn advies in de wind.

Het is ook de vraag of het advies van Penn aan Clinton had gewerkt. De boodschap van verzoening tussen blank en zwart, progressief en conservatief, Democraat en Republikein die Obama uitdroeg, vond meer weerklank. Patriottisme als thema, een Republikeins succesnummer sinds de campagne van Reagan in 1980, was in 2008 uitgewerkt.

Gwen Ifill: The Breakthrough. Politics and Race in the Age of Obama. Doubleday, 277 blz. € 38,-

Richard Wolffe: Renegade. The Making of a President. Based on Exclusive Interviews with Barack Obama. Crown, 356 blz. €23,-