Doorracen naar de veertig

Zanger Tom Waits laat over zijn privéleven zelden tot nooit iets los.

Maar uit de begintijd van zijn carrière is nu toch het nodige boven water gehaald.

„Ik haat directe vragen”, zei Tom Waits ooit. „Wat ik het liefst doe is een onderwerp kiezen en een beetje aanlullen.” Waits is een ondankbaar onderwerp voor een biografie. De eigenzinnige singer-songwriter praat nauwelijks, en als hij wél praat, dan in semi-absurde zinnen die zo min mogelijk over hem verklappen. Dat maakt hem nog niet tot het muzikale equivalent van aandachtschuwe schrijvers als J.D. Salinger of Thomas Pynchon, maar Waits, 59 inmiddels, heeft wel een publiek persona gecreëerd dat de man achter de gruizige liedjes nagenoeg onzichtbaar maakt.

Het is een probleem waar de Britse rockjournalist Barney Hoskyns tegen aanliep, zoals hij zelf in zijn doortastende Waits-biografie Lowside of the Road ruimhartig erkent. Bovendien hielden vrienden en medewerkers van Waits en echtgenote Kathleen Brennan de kaken stijf op elkaar – vaak op verzoek van het tweetal, zoals blijkt uit correspondentie met terugkrabbelende interviewkandidaten. Het boek voor Hoskyns maakt duidelijk dat Brennan de kwade genius hierachter is. Maar in Lowside of the Road zien we dat Waits al vanaf het begin van zijn carrière een masker droeg.

De zoon van een godvruchtige moeder en een afwezige, alcoholistische vader zette zijn eerste muzikale stappen in het folkcircuit van San Diego, eind jaren zestig. Waits was toen nog een jongen met een gitaar en een Bob Dylan-fetisj. Maar al snel werd zijn act gekleurd door een liefde voor beatniks, en dan met name de auteurs Jack Kerouac en Charles Bukowski. Waits’ muziek bewoog, op vroege albums als Closing Time (1973), The Heart of Saturday Night (1974) en vooral Nighthawks at the Diner (1975) weg van folk, richting het soort blues en jazz dat je associeert met dubieuze nachtclubs.

Ook Waits’ teksten uit die periode verraden schatplichtigheid aan zijn literaire voorvaderen. Ze waren sterk atmosferisch, vol ranzige karakters en groteske situaties, vaak hilarisch, om vervolgens weer melancholisch-romantisch uit te pakken. Hij zong ze met een stem van schuurpapier, maar voegde ook elementen van spoken word toe, geïnspireerd door Kerouac. Het was het werk van iemand die naar eigen zeggen zijn jeugd wilde overslaan ‘om direct door te racen naar de veertig’. Iemand die al jong over het leven vertelde vanuit het perspectief van een oude man.

Hoskyns is goed op dreef waar het Waits’ vormende periode in San Diego en Los Angeles betreft. Dat is ook logisch – hij kreeg simpelweg meer mensen te spreken die hun licht op dit tot dusver nauwelijks uitgediepte deel van Waits’ carrière konden laten schijnen. Bij vlagen prikt Hoskyns door de mythes heen – de transformatie van soepele folkzanger naar rauwe brombeer was bijvoorbeeld niet direct een artistieke keuze. Waits beweerde ooit de stem van een oom te imiteren, maar de waarheid is prozaïscher: hij beschadigde zijn stembanden toen hij als openingsact voor Frank Zappa’s Mothers of Invention boven het scheldende publiek probeerde uit te komen. Ook het kettingroken en het stevige drinken hielpen niet. Dat dit hem een geluid gaf dat paste bij de rol van ‘alcoholische romanticus’, beatnik en barzanger was meer geluk dan wijsheid.

In Lowside of the Road deelt Hoskyns Waits’ levensverhaal op in tweeën, en dat is terecht. Het keerpunt kwam toen de zanger op de set van Francis Ford Coppola’s One From The Heart (1982) script editor Kathleen Brennan ontmoette. Zijn huwelijk met haar versterkte de strikte scheiding tussen werk en privéleven – een privéleven dat mogelijk zó huisje-boompje-beestje was, dat deze wannabe beatnik zich er altijd voor geschaamd heeft.

Muzikaal veranderde er met de komst van Brennan ook het nodige. Waits verklaarde dat hij zichzelf opnieuw wilde uitvinden. ‘Ik heb één voet aan de vloer genageld’, zei hij, ‘en steeds rondjes gelopen, resulterend in steeds dezelfde plaat.’ Om uit die routine te komen moest hij zich losmaken van zijn vangnetten: manager Herb Cohen, producer Bones Howe, zijn muzikale vrienden en misschien zelfs zijn platenmaatschappij. Brennan gaf hem de kracht dat te doen. Bovendien bracht zij hem in aanraking met ‘andere’ muziek. Met field recording, met wereldmuziek en met Captain Beefheart, ‘die je nooit meer uit je kleren kan wassen, zoals koffie of bloed’. Brennan werd Waits’ muzikale rechterhand en samen maakten ze in 1983 het album Swordfishtrombones. De plaat bezorgde platenbons Joe Smith bijna een hartverzakking: zo karakteristiek was het materiaal. Het gaf Waits een vrijbrief om naar een andere maatschappij over te stappen, waar hij zijn avant-gardistische koers compromisloos zou doorvoeren.

Hoskyns heeft goed greep op de overgang naar Tom Waits ‘2.0’. Maar naarmate we dieper in de nieuwe fase in Waits’ carrière verzeild raken, komt de schrijver in problemen – zozeer dat het noodgedwongen steeds meer over de liedjes gaat en steeds minder over de geheimzinnige maker en diens omstandigheden. Dat is voor Waits-volgers niet direct bezwaarlijk, al zal niet elke fan zich kunnen vinden in Hoskyns’ impliciete voorkeur voor het vroege werk boven het gewaagde piepjeknor uit de tweede helft van zijn carrière. Maar voor andere lezers zal het voelen als het uitgaan van een nachtkaars.

De officiële website: www.tomwaits.com

Barney Hoskyns: Lowside of the Road. A Life of Tom Waits. Faber and Faber, 609 blz. € 27,–