Doe mij maar lekker een olifant

In een zomerserie over bijzondere reisboeken: Hollanders en Vlamingen vol romantiek en frustraties door Afrika.

‘Ik, de baas, heb een vliegtuig dat langs de hemel vliegt’, een vlag van het Fante-volk, woonachtig aan de Westkunst van Afrika, waarin zowel koloniale elementen als Afrikaanse gezegden zijn verwerkt Uit ‘Du’, december 1995

Jeroen van Bergeijk (sam.): Toubab! Nederlandse en Vlaamse schrijvers over Afrika. Augustus, 320 blz. € 20,–

Je vreest het ergste, wanneer een verhaal afsluit met een regel als ‘hoe lang een takkenbos ook in het water ligt, het wordt nooit een krokodil!’ Ach nee, toch niet wéér zo’n boek waarin de blanke man (in dit geval Arthur Japin) met scherp pennetje van die lokale wijsheden noteert voor de thuisblijver, die graag mijmert over metaforen die daadwerkelijk aan de natuur zijn ontleend. Maar zo erg is het gelukkig niet: de krokodil in dit ‘spreekwoord’ is voormalig minister van Ontwikkelingssamenwerking Eveline Herfkens; en het oordeel komt van een Ghanese man die vaststelt dat niemand (nadat Herfkens een slavernij-herdenking had afgezegd) er zo snel in is geslaagd zich zo impopulair te maken als zij, ‘met mogelijke uitzondering van Osama bin Laden’.

Deze wending is typerend voor wat samensteller Jeroen van Bergeijk probeert met Toubab! Velen denken bij Afrika aan ellende en couleur locale, maar in deze bundel wil hij tonen hoe het leven ‘voor die andere 99 procent van de Afrikanen eruitziet’; verhalen over gewone beslommeringen.

En dan krijg je verhalen over ondermeer corruptie: Rik Delhaas bijvoorbeeld beschrijft in ‘Een heel eenvoudige route’ op droge toon hoe het er bij een busrit in Mogadishu aan toegaat. Zulke ritten worden geteisterd door wegversperringen van zelfbenoemde grenswachten, die daar een goed inkomen aan overhouden: ‘Het leven op het platteland is heel zwaar. Bij het werk dat ik nu doe, hoef ik niet te zweten.’

Of je krijgt verhalen over de natuur: ‘Er valt hier geen beest te bekennen’ (Koert Lindeijer); ‘Doe mij maar een olifant; lekker groot en makkelijk te herkennen’ (Kees Broere) of ‘van olifantenoren kun je goede sandalen maken’ (Teije Brandsma). Of het gaat over de beleefdheid waarmee de westerling wordt bejegend, zoals bij Tommy Wieringa, die zich, net terug uit Egypte, stoort aan arrogant Europa waar ‘persoonlijke autonomie’ in feite ‘egomane grofheid’ betekent, terwijl hij heeft ervaren hoe belangrijk ‘de deugd van gastvrijheid is’ voor ‘de Arabier’.

En de verhalen gaan ook over conflicten tussen blank en zwart, over rijke blanken, censuur, gezondheid, discriminatie, voodoo, zendelingen, aids, vervreemding en ontwikkelingssamenwerking.

Het moet allemaal leiden tot het bevechten van een vooroordeel, namelijk het idee dat Afrika ‘een land van Afrikaans pratende Afrikanen’ zou zijn. Onzin natuurlijk, legt Van Bergeijk in de inleiding uit: Afrika is veelkleurig en veelzijdig en gevarieerd, ‘rijker aan verschillen dan West-Europa’. Om dat te laten zien koos hij vooral voor contemporaine stukken – het oudste stuk in de bundel is uit 2002.

En natuurlijk zitten daar mooie journalistieke verslagen of romanfragmenten bij. Marcel van Engelen bijvoorbeeld laat zien dat het voor emigranten onmogelijk is om naar Senegal terug te keren en Bram Vermeulen geeft een inburgeringscursus voor Zuid-Afrika, die erop neerkomt dat je juist niet te zeer moet proberen je aan te passen: ‘U bent Nederlander dus u wilt aardig gevonden worden. Maar pas op. Welke kleurige shirts u Mandela op de televisie ook heeft zien dragen, trek gewoon uw krijtstreep aan bij de eerste zakenlunch.’

Je kan je afvragen in hoeverre het idee dat ‘Afrika een land van Afrikaans pratende Afrikanen is’ nog steeds bestaat. Bijna alle onderwerpen die in Toubab! aan de orde komen, kwamen immers al in de media al ter sprake, dus een echt nieuw beeld op Afrika biedt Toubab! niet. En hoe mooi sommige fragmenten ook zijn, er is bovendien iets dat wringt. Dat heeft te maken met de in de inleiding geformuleerde pretentie. Want ook Toubab! biedt natuurlijk niet de verhalen van die 99 procent ‘gewone’ Afrikanen. Die verhalen zijn waarschijnlijk net zo oninteressant als de verhalen van 99 procent van de Europeanen of Aziaten. Ondertussen is dit wel weer een boek dat doet alsof het ‘heel’ Afrika omvat en – zeker als je de inleiding indachtig de onmogelijkheid daarvan inziet – dat houdt dan wat neerbuigends. Niemand zal ooit zal iemand het in zijn hoofd halen in 320 bladzijden ‘Azië’ te bloemlezen, of ‘Zuid-Amerika’.

Wat vooral overblijft van Toubab! is een interessant tijdsbeeld. Zoals elke bloemlezing altijd meer inzicht geeft in hoe er op dat moment tegen een bepaald onderwerp wordt aangekeken, geeft ook de bloemlezing Toubab! vooral aan hoe wij nu tegen Afrika aankijken: nog altijd zoekend naar de juiste houding.