De voorzichtige rebel

Barack Obama beseft dat hij een eigen identiteit als Afro-Amerikaan heeft gekozen. Twee boeken plaatsen de president en zijn verkiezingsstrijd in raciaal perspectief.

Gwen Ifill: The Breakthrough. Politics and Race in the Age of Obama. Doubleday, 277 blz. € 38,-

Richard Wolffe: Renegade. The Making of a President. Based on Exclusive Interviews with Barack Obama. Crown, 356 blz. €23,-

Het was minder spectaculair dan de maanlanding en Woodstock, maar zeker zo belangrijk: veertig jaar geleden begonnen elite-universiteiten in Amerika met het systematisch werven van minderheden. Vóór 1969 waren Afro-Amerikaanse studenten vooral aangewezen op ‘zwarte universiteiten’ voor hun academische opleiding. Dankzij het beleid van affirmative action, positieve discriminatie, werden zij daarna ook aangenomen door zogeheten Ivy League universiteiten.

Zo maakte Yale tussen 1966 en 1969 de sprong van zes naar bijna honderd eerstejaars Afro-Amerikaanse studenten. Onder hen Henry Louis Gates, inmiddels hoogleraar Afro-Amerikaanse studies aan Harvard, die vorige maand door een blanke agent werd gearresteerd op verdenking van inbraak in wat zijn eigen huis in Boston bleek te zijn. De kwestie werd een nationale rel toen president Barack Obama tijdens een persconferentie het optreden van de agent veroordeelde. Obama suste daarna de zaak door als verzoener op te treden. Hij nodigde Gates en de agent, James Crowley, uit voor een ‘biertop’ in de tuin van het Witte Huis.

Gates (1950) groeide op in Piedmont, een gehucht in West-Virginia, allesbehalve een kweekvijver voor topuniversiteiten. Hij was te jong om deel te nemen aan de burgerrechtenrevolutie onder leiding van Martin Luther King, maar profiteerde van de maatschappelijke omwenteling die deze veroorzaakte. In zijn memoires Colored People (1994) citeert hij uit de brief die hij in 1969 schreef bij zijn aanvraag voor Yale. ‘Mijn grootvader was een kleurling, mijn vader was een neger, en ik ben zwart.’ (…) Nog altijd zijn het blanken die een oordeel over mij vellen, die mijn lot bepalen. Het is aan u of ik door de wind word meegevoerd als een non-entiteit of dat mij de mogelijkheid wordt geboden mijzelf te ontwikkelen. Sta mij toe mijzelf te bewijzen.’ Provocerend, maar effectief. ‘Zij namen mij aan’, aldus Gates in Colored People.

Wat was de oorzaak van de beleidsverandering? Daarover zijn volgens Nicholas Lemann, decaan aan de universiteit van Columbia in New York en auteur van een boek over de Amerikaanse meritocratie, twee verhalen te vertellen. De idealistische versie, aldus Lemann (geciteerd in The New York Times van 26 juli), wil dat de bestuurders van Ivy League instellingen tot het inzicht kwamen dat Amerika baat heeft bij een etnisch gevarieerde elite. Maar er is ook een cynische versie. Daarin is de opleiding van minderheden een wanhoopspoging van diezelfde bestuurders om het traditionele Angelsaksische karakter van het land te behouden. De veronderstelling was dat minderheden op de topuniversiteiten zouden leren zich aan te passen aan de dominante blanke cultuur: assimilatie in plaats van cultuurverandering.

Veertig jaar later heeft Amerika een president die symbool staat voor het succes van het beleid van positieve discriminatie. Barack Obama studeerde aan de Columbia Universiteit in de stad New York. Na een kortstondig verblijf in Boston volgde hij een vervolgopleiding rechten op Harvard. Ruim een half jaar na zijn aantreden lopen de meningen nog altijd uiteen over de vraag wat voor soort president hij is: een idealist die ‘het systeem’ wil ombuigen ten gunste van minderheden en minderbedeelden of een gematigd politicus die alleen wat andere accenten legt dan zijn voorgangers?

Zijn Republikeinse tegenstanders hebben het antwoord al klaar: Obama is een on-Amerikaanse socialist die het kapitalistische karakter van het land wil veranderen. Progressief Amerika trekt voorlopig een andere conclusie: de president is veel gematigder dan zij hadden verwacht. Daarbij wijzen zij in zijn buitenlands beleid op de troepenuitbreiding in Afghanistan en zijn halfslachtige pogingen om de gevangenis van Guantánamo Bay in Cuba te sluiten. In de binnenlandse politiek heeft hij de financiële sector gesteund met forse kapitaalinjecties, maar tot een cultuuromslag heeft dat niet geleid. De hervorming van de gezondheidszorg, het grote project van dit najaar, zal óf stranden óf minder drastisch zijn dan zij hadden gehoopt.

Intussen zijn de eerste boeken verschenen waarin wordt teruggeblikt op de afgelopen verkiezingscampagne. The Breakthrough, van presentator en journalist Gwen Ifill van Public Broadcasting System (PBS) concentreert zich op de onrust en hoop die de opkomst van Obama veroorzaakte onder zwarte Amerikanen. Renegade, van tv-analist en voormalig journalist (Newsweek) Richard Wolffe, is een boek in een zeer Amerikaans genre: een verslaggever die er vanaf het begin bij was, blikt terug op de campagne.

Ifill sprak met tientallen Afro-Amerikanen, zowel veteranen van de burgerrechtenstrijd als de generatie van de president. Het resultaat is een warrig boek, vaak niet meer dan een opeenstapeling van citaten die in willekeurige hoofdstukken zijn gepropt. Maar één ding blijkt duidelijk: de opkomst van Obama was voor de zwarte mannen (het waren vrijwel allemaal mannen) die aan de frontlinie voor gelijke burgerrechten hadden gestreden, net zo moeilijk te duiden of zelfs te verkroppen als voor conservatieve blanken.

Vreemd is dat niet. In de zwarte gemeenschap hadden en hebben de volgelingen van Martin Luther King en diens radicale geestverwanten van Black Power een bijna heilige status. Zij gingen in de jaren zestig de strijd aan tegen discriminatie. Hun eigen machtsbasis was de decennia daarop even stabiel als beperkt: ze ontleenden hun prestige aan de confrontatie met het blanke gezag. Met als gevolg dat zwarte leiders werden gekozen door de zwarte gemeenschap en zwarte politici naar Washington werden gestuurd door zwarte kiesdistricten. In de media werkte het net zo. De zwarte dominee Jesse Jackson werd gezocht en gevonden als de spreekbuis voor zwarte onvrede en verontwaardiging.

Een nieuwe generatie Afro-Amerikanen nam geen genoegen meer met de status quo. Ifill citeert Eddie Glaude jr. (1968), docent in Princeton: ‘Wij zien er anders uit en drukken ons uit in een andere taal. Uit de manier waarop de oude garde reageert, blijkt dat deze zich met ons geen raad weet.’ Vandaar dat de meerderheid van de zwarte elite zich aanvankelijk aangetrokken voelde tot Hillary Clinton; een veilige keuze vergeleken met de moeilijk te plaatsen en relatief jonge Obama.

Renegade, afvallige, rebel, was de naam van de Geheime Dienst voor presidentskandidaat Obama. Richard Wolffe voorziet de term in zijn nuchter getoonzette boek van kwalificaties. Obama was vooral een behoedzaam opererende rebel. Hij liet niets aan het toeval over. Hij viel nooit te betrappen op onverwachte acties of overhaaste beslissingen. Zijn campagne was uitstekend georganiseerd volgens het model dat hij als buurtwerker in Chicago had ontwikkeld. Hij ging uit van zijn retorische gaven, had een trefzekere hand in de keuze van zijn staf en mikte op jonge en onafhankelijke kiezers. Hij greep snel in toen er problemen dreigden. Bij de kwestie met de radicale dominee Jeremiah Wright hield hij een uitstekende toespraak over ras, waarmee hij twijfels over een vermeende verborgen agenda – lees: toch een woedende zwarte man die Amerika voorgoed wil veranderen – wegnam. Tijdens de dreigende ineenstorting van het financiële systeem verlegde hij het zwaartepunt van zijn berichtgeving van de late avond naar de vroege ochtend, om de concurrentie voor te blijven.

Zijn greep op de campagne was verreikend. Het was Obama die Wolffe de suggestie deed er een boek over te schrijven, in de traditie van de legendarische journalist Theodore White (The Making of the President 1960, 1964 enz). Wolffe aarzelde: wie zat er na een uitputtend gevolgd politiek gevecht van bijna twee jaar nog te wachten op een boek? Was een traditioneel campagneverslag bovendien niet achterhaald? Hij bezweek toch voor de verleiding, vooral vanwege zijn persoonlijke band met de kandidaat. Het klikte, waarschijnlijk omdat Obama in Wolffe, kind van een Marokkaanse moeder en een Britse vader, een geestverwant herkende: complexe achtergrond, zoektocht naar een passende identiteit. Obama beloofde Wolffe meer toegang tot hem te verlenen dan de concurrentie: ‘Het enige probleem is dat ik van plan ben te winnen. Ik moet voorzichtig zijn. Ik kan je niet vertellen wat ik werkelijk van sommige mensen vind.’

Dat is jammer, maar Renegade is allesbehalve een saai boek geworden. Zo legt hij in het fraaie hoofdstuk ‘De Beslisser’ een verband tussen het karakter van Obama en de rebellie van zijn ouders. Zijn ambitieuze Afrikaanse vader nam geen genoegen met zijn Keniaanse afkomst, studeerde in Amerika, maar keerde zonder zijn zoon Barry én met een andere vrouw dan diens moeder terug naar Afrika. Zijn vrijgevochten blanke moeder was een idealistische zoeker die haar zoon onderbracht bij haar ouders in Hawaii, om onderzoek te verrichten in Indonesië.

Barry bezocht het continent van de Verenigde Staten voor het eerst op elfjarige leeftijd, in gezelschap van zijn moeder en grootmoeder. Hij koos voor een zelfbewuste identiteit als Afro-Amerikaan toen hij studeerde op Columbia in New York, waar hij zijn voornaam veranderde in Barack. Hij vond rust in Chicago, als buurtwerker en bij zijn vrouw Michelle: ‘Het idee een wereldburger te zijn paste op de een of andere manier niet bij mij’, zegt hij in een van de interviews tegen Wolffe. ‘Ik zocht mijn wortels in een Amerikaanse stad en een Amerikaanse context en wilde vandaar uit verder. Er was een vorm van gewichtloosheid aan mijn leven daarvoor, in de zin dat ik op een bepaald niveau altijd een buitenstaander bleef. Maar in een bepaald opzicht bevredigde dat toch niet. Hoewel het nog wel in mij zit, die Wanderlust.’

Die onthechte kijk op zijn eigen achtergrond en leven vormt de kern van zijn persoonlijkheid. Obama beseft dat hij een eigen identiteit als Afro-Amerikaan heeft gekozen. Niet dat hij zich ervoor schaamt – being Barack Obama turns out a pretty good gig, zegt hij tegen campagnestrateeg David Axelrod – maar het had ook anders kunnen uitpakken: een blanke huid was weliswaar geen optie, een ‘blanke identiteit’ als zoon van zijn moeder wellicht wel.

Datzelfde geldt voor zijn campagne: hij is kandidaat, wil winnen, maar het killersinstinct en de verzengende ambitie van zijn voorgangers ontbreekt. ‘Als ik niet aan de campagne had deelgenomen, zou ik deze verkiezing graag als waarnemer hebben gevolgd’, zegt hij tegen Wolffe.

Niet alleen Republikeinen en veteranen van de burgerrechtenstrijd vroegen zich af of hij wel Amerikaans of herkenbaar genoeg was. De campagnestrateeg van Hillary Clinton, Mark Penn, wees in een vroeg stadium van de campagne al op een ‘gebrek aan Amerikaanse wortels’ die ‘een zeer grote zwakte aan het licht’ zou brengen: Obama zou onvoldoende kennis van of band met Amerikaanse waarden en cultuur hebben. Penns advies aan Clinton: gebruik het woord Amerikaans zo vaak mogelijk, tegen een achtergrond waarin de vlag prominent is.

Clinton sloeg zijn advies in de wind. Het vermeende gebrek aan patriottisme van Obama speelde later in de campagne even op, toen hij kritiek kreeg omdat hij geen speldje met de Amerikaanse vlag op zijn colbert droeg. Obama pareerde de kritiek door een vlaggetje op te spelden. Het is overigens de vraag of het advies van Penn aan Clinton had gewerkt. De boodschap van verzoening tussen blank en zwart, progressief en conservatief, Democraat en Republikein die Obama uitdroeg, vond meer weerklank. Patriottisme als thema, een Republikeins succesnummer sinds de campagne van Reagan in 1980, was in 2008 uitgewerkt.

Wat dat betreft had Henry Louis Gates een vooruitziende blik. In het voorwoord van Colored People schreef hij: ‘Ik kom in opstand tegen de veronderstelling dat ik geen aansluiting kan vinden bij andere groeperingen, dat ik geen andere identiteiten kan kiezen hoewel ik daar de voorkeur aan geef, dat ras het belangrijkste aspect van mij is.’ Zou hij daarover hebben gesproken tijdens ‘de biertop’ van eind juli onder leiding van de president? Of ging het over het succes van positieve discriminatie en het wonder dat veertig jaar na 1969 een zwarte oud-buurtwerker uit Chicago en een zwarte intellectueel uit Boston elkaar kunnen treffen in de tuin van het Witte Huis?