'De loyaliteitseis is absurd'

Socioloog Khadija Arib (1960, Hedami, Marokko) is sinds 1998 PvdA-lid van de Tweede Kamerfractie. Daarvoor werkte zij onder meer bij de gemeente Amsterdam en aan de Erasmus Universiteit. Dit jaar publiceerde zij Couscous op zondag, over ‘de verborgen geschiedenis’ van Marokkaanse immigranten. „Ik heb dat verhaal op een persoonlijke manier beschreven, zonder politieke bedoelingen of wetenschappelijke pretenties.”

Ze heeft Gerdi Verbeet, voorzitter van de Tweede Kamer, en Mariëtte Hamer, leider van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, gewaarschuwd: „Ik weet dat fractievoorzitters alleen met elkaar debatteren, maar als Geert Wilders mij nog één keer noemt in verband met mijn dubbele paspoort en mijn zogenaamde halve loyaliteit met Nederland, dan ga ik naar de interruptiemicrofoon. Als jullie hem niet van repliek dienen, doe ik het zelf.”

Strijdbaar kijkt Khadija Arib (Hedami, Marokko, 1960) haar bezoek aan. „Iedere keer weer begint hij over mij en steeds weer laten ze zich overdonderen. Het is ook moeilijk. Maar we zullen een antwoord op hem moeten vinden. We moeten niet dezelfde toon en taal aanslaan als hij, maar we moeten wel met dezelfde vechtlust de confrontatie aangaan.”

Wilders, Wilders, Wilders – zijn naam valt vaak in het gesprek met Khadija Arib over haar boek Couscous op zondag (besproken in Boeken, 15.05.09), dat dertig jaar moslim-integratie in Nederland beschrijft aan de hand van haar eigen leven.

Maar in het boek zelf rept ze met geen woord over hem. Haar verklaring: „Mijn boek gaat niet over Wilders, niet over zijn persoon. Het gaat over zijn ideeën, die zoveel mensen delen.” En Ayaan Hirsi Ali? Die noemt ze ook niet. Hoewel die aanvankelijk voor de PvdA, later voor de VVD, de onderdrukte positie van moslimvrouwen hoog op de politieke agenda plaatste. En de positie van moslimvrouwen is precies de inzet van de persoonlijke strijd die PvdA’er Arib in haar boek beschrijft. Hoe kan ze Hirsi Ali niet genoemd hebben? Is dat ideologie? Strategie? Jaloezie, misschien?

Hirsi Ali zou uw heldin moeten zijn.

Fel: „Nee, ze is niet mijn heldin. Mijn moeder is mijn heldin, en andere, onbekend gebleven vrouwen. Over hen schrijf ik. Dit boek gaat over mijn leven, en over degenen die daar een rol in hebben gespeeld. Hirsi Ali is niet mijn heldin en ze heeft mij niet beïnvloed. Waarom zou ik haar noemen? Het is niet eens bij me opgekomen.”

Zij is degene die de problemen van allochtone vrouwen in het brandpunt van de belangstelling heeft geplaatst. Was ze te radicaal?

Kalmer: „De vrouwen over wie ik het heb, zijn misschien nog wel radicaler dan Ayaan, maar ze hebben meer voor elkaar gekregen. Door hun persoonlijk engagement. Door te weten waarover ze het hadden. Door, ondanks alle beperkingen, hun eigen weg te vinden. Hirsi Ali komt uit een heersersgeslacht. Ze dicteert: zo moet het. En ze voert alles terug op de islam. Die heeft er zeker mee te maken, maar ook onder de niet-islamitische bevolking waren de man-vrouwverhoudingen vroeger anders. Ze zijn ook een kwestie van machtsevenwicht en emancipatie. Die bereik je niet met een monomane analyse als die van Hirsi Ali. Ze joeg de vrouwen om wie het haar te doen was, tegen zich in het harnas. Het was: jullie zijn voor of tegen mij.”

Maar politiek gezien zorgde zij toch voor een doorbraak?

„We zijn ook wel samen opgetrokken, maar vaak bleek dat niet mogelijk. Toen de Kamer Rita Verdonk [oud-minister van Vreemdelingenzaken, red.] wilde bewegen Somalische meisjes asiel te verlenen, omdat zij na uitzetting besneden zouden worden, steunde zij Verdonk. Een motie ten behoeve van in het thuisland achtergelaten vrouwen steunde zij niet, omwille van het partijbelang. Je kon niet van haar op aan. Privé zei ze andere dingen dan in de media. Ze viel je gewoon af. Als je haar daarop aansprak zei ze: ‘Daar was niemand bij’.”

Dat heet onbetrouwbaar.

„Nee, ze meende wat ze zei. Ze heeft ook de islam niet misbruikt, zoals Wilders doet. Ze was authentiek, ze was zelf besneden, had de onderdrukking aan den lijve ondervonden. Maar ze was een ster, die alleen even kwam om te stemmen. Ik heb altijd geweten dat ze weg zou gaan. Het ging om haar, en niet om de zaak waarvoor ze zei te staan.”

Khadija Arib kwam in 1976 als 15-jarige naar Nederland. Ze was enig kind. Het was de tijd van de massale gezinshereniging, waardoor ‘alles veranderde’. Gingen ‘vrijgezelle’ gastarbeiders voordien om met Nederlandse vrouwen, bezochten zij cafés en werden hun namen verhollandst tot ‘Ap’ en ‘Ben’, na de komst van de gezinnen werden de tradities van het thuisland in ere hersteld.

„Het gekke was: dat waren ook in Marokko allang geen tradities meer. In ons vliegtuig zaten vrijwel geen vrouwen met een hoofddoek. Kort daarop kwam de massale werkloosheid. Mannen kwamen thuis te zitten, ze bleken losers in plaats van emigranten met succes en geld. Ze probeerden hun verloren status te herstellen door hun vrouw en dochters kort te houden. Hoewel het leven zich in Marokko juist op straat afspeelt, mochten ze hier niet naar buiten, meisjes werden van school gehouden. En de Nederlandse overheid heeft daar toen niets tegen gedaan. ‘Laat ze, zo is hun cultuur’ – dat was de houding. Was er maar iemand langsgekomen, een inspecteur, die had gezegd: naar school met jou! Ik deed het op mijn manier en sprak met die meisjes en hun ouders, maar ik was zelf pas 15, 16.”

Haar moeder en zij gingen wel naar buiten, naar de warenhuizen van Rotterdam, waar het gezin terechtkwam. „We zaten op terrasjes. ‘O, die komen uit het zuiden, dat zijn van die losgeslagen types’ werd er dan door de andere Marokkanen gezegd. We hebben ons daar nooit iets van aangetrokken en mijn vader vond het ook geen probleem, aanvankelijk. Later begon ook hij moeilijker te doen, maar hij is jong gestorven. Ik vraag me weleens af of hij, als hij langer had geleefd, net als zijn toenmalige vrienden nu doen, ook in djelleba was gaan lopen, zijn baard had laten staan en naar de moskee was gegaan. Ik denk het eigenlijk niet. Maar hij was paranoïder geworden, ging gebukt onder het geroddel. Hij wilde niet dat mijn moeder uit werken ging en achtervolgde haar op straat. Maar het zou hem nooit gelukt zijn haar op te sluiten. Ze ging uit werken, punt.”

Arib beschrijft in haar boek hoe hun wijk, in Rotterdam-Noord, razendsnel in een getto veranderde, waaruit autochtone Nederlanders wegtrokken. Ze beschrijft ook hoe de Nederlandse overheid via de godsdienst greep probeert te krijgen op de Marokkaanse en Turkse gemeenschappen, en hoe daardoor de rol van de religie steeds groter wordt. Maar ze schreef haar boek om een andere reden. „Ik hoor mensen altijd óver de Marokkaanse gemeenschap praten en ik verbaas me over het gemak waarmee ze zeggen: aanpassen of wegwezen. Dat komt doordat het immigratieverhaal verteld wordt door buitenstaanders, op een droge, statistische manier, antropologisch ook, alsof het om vreemde wezens gaat. Ik heb het altijd belangrijk gevonden dat mensen die het emigratieproces hebben meegemaakt, het zelf vertelden. Ik ben een van hen.”

Arib zegt een ‘politiek’ boek geschreven te hebben, zij het onbedoeld. „Ik merk het aan de reacties, het verschaft inzicht in een moeizaam proces. Maar ik heb dat op een persoonlijke manier beschreven zonder politieke bedoelingen of wetenschappelijke pretenties. Het woord ‘integratie’ komt er nauwelijks in voor. Het gaat over individuen, de buren, mijn vriendinnen, mijn moeder, mijn vader. Hij hoorde bij de eerste gastarbeiders – dat was zijn stempel. Maar hij was vrijzinnig, ging onder geen beding naar de moskee, dronk alcohol. Mijn moeder, die een hoofddoek draagt, heeft een ander stempel: zij is die hoofddoek. Maar zij is een mens, met een eigen persoonlijkheid, een karakter, met eigen verlangens en dromen. Ik heb al die mensen een gezicht willen geven.”

Dat geldt niet voor uw ex-man, die nauwelijks genoemd wordt. Wel beschrijft u uitgebreid hoe u uw ongetrouwde vriendin Louiza helpt een abortus te krijgen.

„Hij heeft er niet om gevraagd opgevoerd te worden. Mijn moeder heeft ermee ingestemd. Louiza is een gefingeerde naam, dat had vermeld moeten worden. Veel mensen die ik beschrijf waren bij de presentatie van het boek aanwezig; ik was bang dat ze zichzelf of anderen hadden herkend. Dat bleek niet het geval, al waren de speculaties niet van de lucht.”

Arib kreeg drie kinderen met haar ex-man. Hoewel ze zich voorgenomen had nooit te trouwen, deed ze dat toch, ook voor de Marokkaanse wet, omdat ze anders aangeklaagd kon worden voor overspel. Daarop staat een gevangenisstraf van drie maanden. Ze ervoer het als ‘zwichten voor het systeem’. „Wij zijn Marokkanen en dat blijven we. Marokko ziet ons als ‘onze kinderen in het buitenland’. Aan de grens vragen ze: wie is de vader, waar is je trouwakte? Een vreselijke dwang. Zelfs een vrouw die met een buitenlander getrouwd was en een kind had, zoals een nicht van mij, had tot vorig jaar een probleem. Hoewel haar kind in Marokko geboren was, had het geen toegang tot voorzieningen en moest de verblijfsvergunning van dat jongetje elke drie maanden verlengd worden. Kinderen van Marokkaanse mannen met een buitenlandse vrouw werden altijd al gewoon erkend. Het is een patriarchaal, islamistisch, nationalistisch systeem.”

En u poogde daar iets aan te veranderen door zitting te nemen in een Marokkaanse commissie, waarop Geert Wilders u verweet er een ‘dubbele loyaliteit’ op na te houden.

„En dat te pas en te onpas blijft doen! Het was pijnlijk en absurd. Als mijn partij me niet verdedigd had, was ik opgestapt. Het ging om een commissie ter voorbereiding van een orgaan dat de koning moest adviseren over de problematiek van in het buitenland wonende Marokkanen. Zeventien van zulke Marokkanen vormden de commissie. Tevoren hadden we al een rapport geschreven over de positie van vrouwen. Zodat hun bijvoorbeeld op consulaten niet door mannen wordt gevraagd waarom ze weg willen bij hun man. Ik was ervoor gevraagd vóór ik in de Kamer kwam, maar als ze me nu zouden vragen, deed ik het weer. Ik ben er voorstander van dat ieder de keuze wordt gelaten een dubbel paspoort te willen of niet. Voor dat standpunt ben ik uitgescholden op Marokkaans-Nederlandse sites. Het is een variant van de Wilders-mentaliteit: het heilig verklaren van de eigen nationale identiteit.

„De recente integratienota van mijn partij bevatte aanvankelijk ook die loyaliteitseis. Ik was mordicus tegen en gelukkig is die geschrapt. Je kunt niet eisen van mensen dat ze hun verleden afzweren en assimileren. Ik vind het heerlijk de geuren en kleuren van Marokko te ruiken en te zien, het is het land van mijn jeugd. Maar ik ben even goed dolgelukkig om na drie weken dáár weer over de grachten te fietsen en vrij en mezelf te zijn, zonder nagefloten te worden door opdringerige mannen en zonder opmerkingen te krijgen over mijn uiterlijk. Ik houd van Marokko én Nederland, zoals je van je beide ouders houdt.”

Vroeger trok Khadija Arib veel met Wilders op; hij had net als zij gezondheidszorg in zijn portefeuille, voor de VVD. Ze vertelt dat zij elkaar na het debat over haar dubbele paspoort anderhalf jaar niet spraken. Op een ochtend, ze zat te bellen met haar dochter, voelde ze een hand op haar hand. „‘Ik kom je even groeten’, zei hij. Toen ik duidelijk maakte dat ik mijn dochter aan de telefoon had, vroeg hij mij zijn groeten over te brengen. Nadat ik geantwoord had dat zij die niet op prijs stelde, wilde hij de telefoon hebben. Ik hoorde hem telkens zeggen: ‘Nee, dat is niet zo, dat is niet zo’. Mijn dochter bleek hem gevraagd te hebben: ‘Waarom haat je ons?’ Het was een vreemd moment. ”

De PvdA heeft altijd een meerderheid gehad in de grote steden, de door u beschreven probleemwijken zijn onder de PvdA ontstaan.

„Ja, we moeten lessen trekken uit het verleden. De taal moet wél geleerd worden, meisjes moeten wél naar school.”

Uw partij heeft nog steeds geen antwoord op de opmars van Wilders.

„Het ontbreekt ons aan duidelijkheid. We moeten duidelijk zijn over de weigering handen te schudden, boerka’s, hoofddoekjes in de rechtszaal. Daar moeten we tegen zijn. We moeten anderzijds niet de kiezers naar de mond praten, uit angst ze kwijt te raken. Juist door die angst en het gezwalk dat eruit volgt, raken we ze kwijt. We moeten één lijn trekken: homoseksualiteit dient te worden gerespecteerd, punt uit. Uithuwelijking moet keihard worden aangepakt. En de groepen voor inburgeringscursussen moeten gewoon gemengd zijn. Ik zie niet in waarom vrouwen in dit land apart gezet zouden moeten worden.”

Dit zijn verwijten aan partijleider Wouter Bos en fractievoorzitter Mariëtte Hamer.

„Nee, de PvdA is een debatpartij en dat siert ons. We zijn allemaal even verantwoordelijk.”

De leiding heeft een grotere verantwoordelijkheid.

„Ik begrijp welk antwoord u wilt horen. Maar dat geef ik niet. De angst verlamt ons. We moeten Wilders met gelijke munt terugbetalen en onszelf blijven.”

Komt het goed, met de integratie?

„Ja, het komt goed, maar het komt niet vanzelf goed, zoals we vroeger dachten.”

Bent u zelf eigenlijk moslim?

„Nee, ik ben seculier. En daar heeft niemand ooit een probleem van gemaakt. Het wil niet zeggen dat ik geen respect heb voor gelovigen.”

Vroeger vonden rechtgeaarde sociaal-democraten gelovigen zielepoten.

Lachend: „Geen commentaar! Géén commentaar!”