De DDR als toekomst

De toenemende onbegrijpelijkheid van de wereld heeft een profeet: de Franse striptekenaar Enki Bilal. Tragische personages bevolken zijn toekomstvisioenen.

Illustraties uit het album ‘Animal’z’ van Enki Bilal

Amsterdam is in maart aan een grote terreuraanslag ontsnapt. Tenminste, zo leek het die bewuste dag. De IKEA bleef dicht, er werden arrestaties verricht en de bevoegde autoriteiten gaven een gewichtige persconferentie. Later bleek het allemaal niet waar, loos alarm. Het een noch het ander bracht veel beroering teweeg in de samenleving. Geen massale angst voor het een, of opluchting over het ander, of boosheid op de blunderende autoriteiten.

Eenzelfde gelatenheid zie je bij de kredietcrisis. Geen spoor van protest dat degenen die ons jarenlang de marktwerking als alfa en omega hebben voorgehouden, nu hard op weg zijn ons aan de bedelstaf te helpen. Eén klein blijk van protest heb ik meegemaakt, in het Amsterdamse Muziektheater. In Die Dreigroschenoper van Brecht zegt een personage: „Wat is een bankroof in verhouding tot de stichting van een bank?” Open doekje, heel discreet. Zo protesteert het publiek in dictaturen.

Hoe is dit gebrek aan authentieke opwinding, aan collectieve verontwaardiging, in zaken van leven en dood, te verklaren? Ik heb een idee: de wereld is onbegrijpelijk geworden. Voorbij de tijd dat twee overzichtelijke machtsblokken in de wereld rationeel van oorlog afzagen, in de wetenschap dat de wederzijdse volledige destructie verzekerd was. Het voornaamste gevaar komt nu van eenlingen of kleine groepjes, die een dertiende-eeuws kalifaat willen heroprichten, als ze al een programma hebben. En de economische crisis is al helemaal nauwelijks meer te begrijpen: zij is deels veroorzaakt door financiële transacties die de bankiers zelf niet meer begrepen, en niemand weet hoe lang het gaat duren. Zonder begrip geen actie: om iets te doen, moet je iets eerst conceptualiseren.

Die toenemende onbegrijpelijkheid

van de wereld heeft voor mij een profeet: de Franse striptekenaar Enki Bilal. Toen hij in 1998 begon aan het vierluik Le sommeil du monstre (de slaap van het monster) vond ik dit verhaal over de futuristische avonturen van drie tijdens de oorlog in 1993 in Sarajevo geboren kinderen wel mooi getekend, maar van een irritante onbegrijpelijkheid. Maar toen in 2007 deel vier uitkwam, Quatre?, waarin de drie kinderen, inmiddels wezen, elkaar hervinden, begreep ik dat juist in die onbegrijpelijkheid de kracht van Le sommeil du monstre ligt. Veel sciencefiction verveelt met quasiwetenschappelijke uiteenzettingen, over hoe de nieuwe technologie waar de helden mee werken in elkaar zit, of een nieuwe wereldorde. Bij Bilal niets van dat al: de helden zijn voortdurend in de weer met technologie, opdrachtgevers, reizen door ruimte en tijd, machthebbers en terroristen, dieren. Wat zij doen en hoe ze keuzes maken, blijft echter duister – de praktische details van het leven onttrekken zich aan de waarneming van de lezer.

Er is wel een algemene context, waarbinnen het leven in de nieuwe wereld zich voltrekt: alles is even shabby. Deze sciencefiction ontbeert elke glimmende geliktheid, en ook efficiëntie, een ander kenmerk van veel toekomstschilderingen, is ver te zoeken. Het leven speelt zich af in, of vaker nog boven, steden die we kennen – Parijs, Moskou, New York, Sarajevo – maar die inmiddels tot vervuilde, vervallen decors lijken verworden, zo’n beetje als DDR-steden vóór de Wende. De helden laten zich vaak per luchttaxi vervoeren, al of niet door chauffeurs die een mengeling van mens en dier en machine lijken, maar de straalmotoren zijn meestal ingebouwd in de verroeste karkassen van oude auto’s, die de passagiers vroeger gewoon over het wegdek transporteerden. Ook het menselijk materiaal heeft het zwaar te verduren. Bijna iedereen loopt met pleisters en verbanden rond.

In deze weinig appetijtelijke wereld blijft de menselijkheid echter recht overeind, lijkt het.

Dat deze serie draait om drie kinderen

uit Sarajevo is niet helemaal toeval. Bilal (1951) is een in Parijs wonende ex-Joegoslaaf die, net als veel andere ex-Joegoslaven, de bloedige oorlogen die zich tussen 1991 en 1996 in zijn voormalige vaderland hebben afgespeeld een beetje als het einde van de beschaving hebben ervaren. Vóór die oorlog waren de albums van Bilal niet realistischer of begrijpelijker, maar wel vrolijker. De trilogie Nikopol bijvoorbeeld biedt sciencefiction zoals je dat van striptekenaars verwacht: kleurig, spannend, sexy.

Opmerkelijk is steeds Bilals lage tempo: bijna tien jaar tussen het eerste en het laatste deel van Le sommeil du monstre, dat is nogal lang voor een striptekenaar. Hij doet wel andere dingen tussendoor: 2004 bracht zijn niet geheel gelukte, want vrij saaie sciencefictionspeelfilm Immortel. Geslaagder was in 1999 het album Un siècle d’amour, dat hij samen met de schrijver Dan Franck maakte. Het behelst een serie vrouwenportretten waarbij de vrouwelijke vormen tegelijkertijd geïdealiseerd worden en meedogenloos bezien – de blik par excellence van de minnaar dus.

Met de serie Le sommeil du monstre is er in het werk iets veranderd: de tragiek deed zijn intrede. Want tragisch zijn ze, de personages in deze serie. Ze zijn onophoudelijk druk in de weer, beleven verdriet, ergernis en voldoening, en zelfs liefde en seks. Niets menselijks is hun vreemd, en met name melancholie niet. Amir, Leyla en Nike kunnen de wereld niet verbeteren, maar hervinden elkaar.

Dat zou je als een troost, een optimistische noot van de auteur kunnen zien: de wereld van de toekomst is dan wel shabby en vol gevaren, maar wij mensen hebben in ieder geval elkaar nog, om naar te verlangen en te beminnen. De waarde van een mensenleven hangt niet alleen af van de externe omstandigheden, er is ook nog het individu dat zijn weg zoekt, zijn eigen identiteit beschermt en als het meezit vervulling kan vinden.

Op deze idyllische voorstelling berust ook bijvoorbeeld een sociale netwerksite als Facebook: je maakt melding van de dingen die je opvallen, die je mooi vindt, waarmee je je bezighoudt. Die zet je op Facebook en anderen met wie je gelinkt bent maar die je desnoods nooit tegen hoeft te komen, en die je ‘vrienden’ noemt, doen hetzelfde – een collectie van hoogst individuele identiteiten, die niettemin verbonden zijn. Een nieuw humanisme in een geatomiseerde, bedreigende wereld. Er is hoop voor de mens.

Het jongste album van Bilal rekent af

met deze rooskleurige interpretatie van de toekomst. Animal’z speelt, blijkens het voor de auteur ongebruikelijk verhelderende voorwoord, na een klimaatramp die de wereld geheel onverwachts getroffen heeft (in tegenstelling tot die andere klimaatramp die we zich zien aftekenen). Een paar individuen proberen zich op vaartuigen in leven te houden in de buurt van Antarctica, of wat daar nog aan sneeuw en ijsschotsen van over is.

Ook in Animal’z doet Bilal verder niet aan uitleg. De grens tussen mens en dier, die ook in Le sommeil du monstre al ernstig onder druk stond, lijkt in het geheel niet meer te bestaan, en het album ontleent daar zijn merkwaardige titel aan: mens en dier zijn voorzien van onduidelijke drukknopjes, en een vis kan een mens worden, of andersom. Als mensen staan ze elkaar veelal naar het leven, en van liefde lijkt geen sprake meer, nog slechts van gerechtvaardigd wantrouwen. Wel is iedereen nog druk bezig, maar meestal op manische wijze. Twee mannen te paard duelleren voortdurend met elkaar, waarbij het de kunst voor beiden is zó scherp te schieten dat de tegelijkertijd afgevuurde kogels elkaar in de lucht treffen en neutraliseren. Dat gaat dus mis. En inmiddels kalft het ijs steeds verder af. De ijsberen, die vanaf het vasteland de menselijke prooi steeds dichterbij zien komen, zijn te verbouwereerd om te reageren.

Bilal had met Le sommeil du monstre een toekomstbeeld van onbegrijpelijkheid geschapen, waarvan we de verwezenlijking beleven. Je mag hopen dat hij met Animal’z niet opnieuw een profeet blijkt: niks humanisme, we gaan gewoon naar de donder.

Inl: http://bilal.enki.free.fr/