Brood verdienen met de keuze van Colbert

Antoinette Roze praat over twaalf generaties familiebedrijf Roze of zij er zelf bij was. De oorlog van 1870 was ook moeilijk. En ze hadden erg onder de crisis van 1929 geleden. En nu? Deze crisis overleeft ze.

Hoe Antoinette Roze het eeuwenoude zijdebedrijf van haar familie voortzet met innovatie en traditie Illustratie Nanette Hoogslag Familiebedrijf Hoogslag, Nanette

Het eerste wat opvalt in het familiebedrijf van Antoinette Roze (49) is dat er zo weinig op familie wijst. Goed, er is de naam: Tisserie Jean Roze. Een weverij waar zijde gemaakt wordt. Genoemd naar een voorvader van de eigenaar.

Maar eenmaal binnen, in de onopvallende loods aan het begin van een bedrijventerrein in Saint Avertin, een voorstad van Tours: waar is het familiekarakter?

De secretaresse noemt de patronne beleefd „mademoiselle Roze.” Zij is geen familie.

Aan de muur hangt een uitgeprinte foto van een dame met bloemen. „Een medewerker die met pensioen ging”, zegt juffrouw Roze. Geen familie.

De prent op de deur doet wel aan een familie denken, maar niet aan de familie Roze. Het is een poster van paleis Het Loo, met licht krullende hoeken. In de jaren zeventig leverde zijdefabriek Jean Roze tijdens de restauratie van het paleis het zijdewerk voor de vertrekken van de Oranjes.

Twee eeuwen legde huize Roze zich toe op het maken van zijde voor meubels in paleizen, van monarchie of republiek. Nu zijn de klanten vooral Londense handelaren in luxe stoffen en meubilair, vertelt Roze. Zij prijst zich gelukkig dat ze met meubilair werkt, niet met mode. „De modemarkt is zo beweeglijk, dan had ik de crisis niet overleefd.”

In de fabriekshal, met tientallen meters snorrende weefmachines, groet Roze laconiek een heer in de verte. Ook geen familie.

Roze mag graag vertellen over haar ambacht, zoals zij het noemt. „De technische kant van zijde interesseert me meer dan het ondernemerschap.”

Wat is het verschil tussen een zijden truitje in de winkel en een fauteuil bekleed met zijde van de firma Jean Roze? Ten eerste: de draden gaan hier door het kleurbad voordat ze aaneengesponnen worden, niet erna, zoals je meestal ziet. Zijde ‘oude stijl’ verkleurt daardoor minder snel. „Mijn stof moet weerstand bieden aan langdurige lichtval, niet aan de wasmachine.”

En dan is er de stof zelf, zwaar. Minister Colbert bepaalde in 1669 en 1671 namens Lodewijk XIV dat Franse zijde tussen 90 en 140 draden per centimeter moet bevatten. Antoinette Roze houdt zich er nog aan, in een sector die mondiaal naar lichtheid streeft. „Ik verdien mijn brood nog altijd met de strategische keuze van Colbert.”

Goed, maar de familie? Een glimp ervan gloort bij het laatste spanraam. Met zijn gladde houten frame, de galante boog die de zijde in linten uit elkaar houdt, oogt het als een kunstwerk, evenzeer als een degelijke machine. „Dit spanraam is in de jaren vijftig door mijn vader gekocht”, zegt Roze. „En ik kan er geen afscheid van nemen. Het draait zo soepel, zo worden ze niet meer gemaakt.”

Of het nu om zijde gaat of om familie: alles komt hier van ver. De geschiedenis glanst na. En weegt zwaar. Na twaalf generaties zijdefabrikanten is Antoinette Roze min of meer overgebleven. In haar eentje. „En soms word ik daar heel moe van”, bekent ze. Ze leidt een bedrijf dat uit de zeventiende eeuw stamt, en ze heeft geen kinderen. Geen opvolgers.

Stiekem hoopt ze op haar neefjes, jonge kinderen nog. Ze vindt het „belangrijk dat ze veel komen”, een band met het bedrijf opbouwen. Maar ze komen niet vaak. Ze weten niet eens van de stille hoop van hun tante. Met hun vader, haar oudste broer, heeft ze het er nooit over gehad. Met haar jongste broer al helemaal niet. „Die is priester, hij wil zo weinig mogelijk van het bedrijf weten.”

Ze worstelt met de economische crisis. Haar zeventien werknemers zijn deels werkloos: drie tot vijf dagen per maand om de magere bestellingenlijst niet uit te putten. „Ik wil geen ontslagen”, zegt Roze, „in de zijde-industrie mag je expertise niet verliezen.” Mannen zijn het grootste probleem. „Als je er maar één in dienst hebt en verder vrouwen, houdt hij het niet vol. Omgekeerd kan wel, vrouwen passen zich aan. Maar mannen hebben soortgenoten nodig.”

Terug op haar directiekamer, opgefleurd door forse lappen zijde en een stel rondslingerende horloges in vrolijke kleuren, gaan we op zoek naar de soortgenoten van Antoinette Roze. Ze blijken zich schuil te houden in klappers en databanken, en verschijnen keurig gedigitaliseerd op haar computerscherm.

Weverij Roze heeft een dubbele boekhouding: een voor de cijfers, en een voor de geschiedenis. Daarin bevinden zich 3.000 lapjes zijde, tekeningen, schilderijen, foto’s. En zij kent de verhalen.

Aan het begin was er een koning, zoals altijd. In Frankrijk kan de centrale macht al eeuwen industriële tradities maken en breken. Presidenten wijzen nu ‘innovatieclusters’ aan, bijvoorbeeld voor therapeutisch werkzaam textiel ten noorden van Tours, rond Chartres. Koningen hadden vroeger ook hun wensen. De zijdeproductie was lang het voorrecht van de streek rond Lyon. Maar in 1470 besloot koning Lodewijk XI dat hij zijdeproducenten in de buurt wilde hebben, bij zijn kasteel in Tours.

Tours werd dus een zijdestad. De familiebedrijven schoten uit de grond. Na 1650 gebeurde het dat een onfortuinlijke zakenman, Jean-Baptiste Roze, spoedig na zijn huwelijk met de dochter van een aanzienlijke zijdefabrikant, weduwnaar werd. Hij keerde het lot door de dochter van een andere zijdefabrikant te huwen. Met die twee fabrieken bijeen was de zijdefamilie Roze geboren. Antoinette Roze laat trots de foto zien: „Daar zie je mij met een portret van de oervader.”

In 1873 opende Louis Roze, na dertig jaar gestage groei, een atelier van drie etages aan de rand van Tours. Op foto’s zie je stoere mannen met petten. Ze showen hun spieren en werkgerei, de vrouwen zitten achter de ramen. „Het was een drukte van belang in het bedrijf.”

Antoinette Roze praat over het verleden alsof ze erbij was. „De oorlog van 1870 was ook moeilijk”, zegt ze bijvoorbeeld. En: „Mijn bedrijf heeft erg geleden onder de crisis van 1929.”

Maar over haar voorvaderen kan ze koel oordelen. Overgrootvader Louis heeft maar kort geregeerd, tussen ongeveer 1914 en 1922, en is een vage vlek. Grootvader Bernard was geen ondernemer. „Hij geloofde niet in het bedrijf, hij was eigenlijk filosoof, boekenwurm.” Middagen lang zat zij met de andere kleinkinderen bij hem, te luisteren naar zijn verhalen. Het resultaat: van de 24 Rozes van haar generatie zijn er vier priesters geworden, twee filosofieleraar, en drie ingenieur. „Wij zijn eigenlijk geen familie van ondernemers, maar van denkers.”

Ook Antoinette had ooit andere plannen. Begin 1983 woonde zij in Straatsburg. Ze was 23, studeerde economie en politieke wetenschappen. Tot vader Jean op een dag losjes vertelde dat hij met enkele neven had besproken hoe het verder moest met de firma, waaraan hij intussen zijn voornaam had toegevoegd.

„Het voelde als een steek: ik wist opeens wat ik wilde. Mijn neefjes? En ik dan?” Ze had haar vader sinds de jaren vijftig met grootvader zien strijden. Jean geloofde wel in zijde, hij vernieuwde, stuurde aan op verhuizing uit de verouderde stadsateliers, die allang veel te groot waren. Maar pas in 1972 gaf de koppige grootvader de macht uit handen.

Ze keerde terug naar haar geboortestad en werkte drie jaar hand in hand met vader. Toen overleed hij, plotseling. „Ik heb geen moment getwijfeld: ik moest het bedrijf voortzetten.”

De taak nam haar zo in beslag, dat een eigen gezin er nooit van gekomen is. „Ik zocht een man die zich zou voegen naar mijn werk. Maar mannen willen hun eigen plan volgen.”

Af en toe gaat ze op reis met een vereniging: de Hénokiens, de internationale club van familiebedrijven. „Ik voelde me daar meteen thuis”, zegt ze. „We hebben een gemeenschappelijke manier van denken. Onze relatie met de tijd is sterker dan onze hang naar winst. Wij willen overleven, doorgeven.” Ze herinnert zich een uitstapje naar Japan, een groot zijdeland. Er was een theehuis, een eeuwenoud familiebedrijf aan de voet van een tempel, dat deelnemers aan seminars was gaan ontvangen. Het bedrijf bloeide. Het heeft haar aan het denken gezet. Laatst belde een Franse wetenschapper om te experimenteren met therapeutische stoffen. Haar kleurbaden zijn geschikt, omdat ze alle draden apart doordrenken.

Een paar dagen later mailt Antoinette Roze: we gaan een test doen. Innoveren.

Zie voor de vorige afleveringen van deze zomerserie nrc.nl/familiebedrijf