Alles is te koop, ook de liefde

Onder de noemer Toneel op 2 zenden de publieke omroepen vanaf volgende week zes theaterstukken uit. Het theaterpubliek kan zo vertienvoudigen, hopen de initiatiefnemers.

Op Hoop van Zegen Klassiek sociaal drama van Herman Heijermans uit 1900, over verdrinkende vissers en hun achterblijvende vrouwen, wordt door Het Toneel Speelt opgefrist tot een onsentimenteel, zeg maar hard stuk: „Ach juffrouw, ’t leven op zee is geen vertelsel. – Door een duimsplankie zijn ze van de eeuwigheid gescheijen.” 6 sept. 20u15 Toneel op televisie Illustratie Pépé Smit Smit, Pépé

Hoor toch eens hoe u tekeergaat! zegt de joodse bankier Shylock tegen de Venetiaanse handelaar die hem altijd vernedert, maar die nu geld van hem wil lenen. „Ik wilde uw vriend zijn en uw liefde krijgen, de smaad vergeten waarmee u mij bevuilt.”

Pierre Bokma speelt Shylock als een zenuwachtig, eenzaam mannetje dat in zichzelf gekeerd over het podium scharrelt. We zien op zijn getergde gezicht vrolijkheid: om de ironie dat Shylocks vijand nu hulp van hem vraagt. En een glimp van blije hoop: zou de joodse outcast dan toch geaccepteerd worden door de gemeenschap? Als de handelaar zijn uitgestoken hand weigert, zien we de ontgoocheling. Toch weer teruggetrapt. En we zien de kiem van zijn wraakzucht, die hem later het onderpand van één pond vlees zal doen opeisen, uit de hartstreek van de handelaar.

Alleen deze paar close-ups van Bokma’s gezicht maken de televisieregistratie van het toneelstuk De koopman van Venetië door de Theatercompagnie al de moeite waard. De schlemielige manier waarop Bokma de bankier speelt, komt op televisie nog beter over dan in het theater. Voor de schouwburg was zijn spel iets te subtiel. Op televisie kun je precies iedere rimpel rond zijn ogen en zijn mond zien.

De komedie van William Shakespeare, over buitensluiting in een door geld geregeerde wereld, is het hoogtepunt uit de reeks van zes toneelstukken die vanaf volgende week iedere vrijdag om tien voor elf op Nederland 2 wordt uitgezonden. Het Nederlandse theater is lang afwezig geweest op televisie. Nu gaan drie publieke omroepen, AVRO, VPRO en NPS, samen twee jaar lang hoogtepunten uit het theater uitzenden.

Theater kan geweldig zijn, een belevenis, maar wel een belevenis die veel mensen ontgaat. ‘Toneel op 2’ kan een zendelingenfunctie vervullen: als honderdduizend mensen per keer gaan kijken, zoals de initiatiefnemers hopen, vertienvoudigen de toneelgezelschappen in één klap hun publiek. Toneel wordt weer zichtbaar buiten de muren van de schouwburg. Bovendien conserveert de tv zo erfgoed dat anders verloren zou gaan. Van de dertig jaar die Bokma op toneel doorbracht, bestaan verder geen tv-registraties.

De selectiecommissie koos vooral voor klassiek repertoire in de schouwburg: twee Shakespeares, een Horváth en een Heijermans. Daarnaast twee nieuwe stukken: Blackface, als vertegenwoordiger van het muziektheater, en Geslacht, als voorbeeld van nieuw Nederlands repertoire. Opvallend is dat de keuze ook viel op minder geslaagde stukken. Alleen Op hoop van zegen werd na de première alom goed ontvangen. De kritieken van Het temmen van de feeks, De koopman van Venetië en Blackface waren wisselvallig. De ontvangst van Kasimir en Karoline en Geslacht was ronduit slecht. Vooral de keuze voor dit laatste stuk is vreemd, nota bene als opener van de serie. Al moet wel gezegd worden dat Geslacht veel beter is op tv.

Vroeger was toneel op televisie heel gewoon. Vanaf het begin werd film, en later televisie, gebruikt om toneel vast te leggen. In Nederland had je zelfs een vaste toneelavond op tv. Op 17 december 1981 was op televisie een registratie van het toneelstuk Op hoop van zegen te zien. Op het andere net was tegelijkertijd een registratie te zien van Freek de Jonges eerste soloshow. Wat een weelde! Wat een planning! (De netmanager bestond nog niet.) Bij ons thuis werd een kleine strijd gevoerd over wat we zouden kijken. Ik wilde Freek de Jonge, maar Herman Heijermans won. Zodat ik mijn eerste toneelstuk zag; en meteen een van mijn favoriete.

Daarna is toneeltelevisie in het slop

geraakt. Toneel raakte in de jaren tachtig het grote publiek kwijt, en verloor dus ook zijn televisiepubliek. Kijkcijfers werden bij de televisie belangrijker. De toneel- en de televisiewereld dreven uit elkaar. De een ging meer de intellectuele kant op, de ander de populistische. Alleen cabaret, de kluchten van John Lanting, en de shows van André van Duin en de Mounties werden nog uitgezonden.

Nu de nieuwe serie begint is de scepsis groot, aanvankelijk ook bij mij. Theater zou zoveel verliezen bij een registratie. Acteurs in een schouwburg spelen en spreken groot, om ook de achterste rijen te bereiken. Op tv en film moet je alles juist klein houden. De vertekening is groot: alles wat in het theater klein is – gezichten – wordt groot op tv. En wat groot is in het theater – het decor – wordt klein op tv. De concentratie die je opbrengt in een theater, kun je thuis voor de tv niet opbrengen. Het is allemaal een beetje waar. Maar dat geldt ook voor tv-registraties van cabaret, opera, concerten. Geen reden om ze niet te maken. Al gaat 90 procent van de grootsheid van Theo Maassen verloren op televisie, toch zal niemand ervoor pleiten zijn shows maar niet vast te leggen. Een voetbalwedstrijd is in het echt trouwens ook veel spannender.

Het resultaat valt bovendien enorm mee. Tv blijkt ook iets toe te voegen aan een toneelstuk. Je zit voor de tv veel dichter op de huid van de spelers. Je ziet meer, je ziet in ieder geval andere dingen, de subtiliteiten. En je kan de tekst beter horen. Het toneelspel blijkt over het algemeen niet overdadig te zijn: het kleine realistische acteren uit de film heeft ook de schouwburg bereikt. Veel van de problemen die toneelregistraties vroeger hadden, zijn nu opgelost. De omroepen hebben het groots aangepakt, met zo’n zes camera’s per voorstelling. ’s Middags werden aanvullende opnames gemaakt die anders het theaterpubliek te veel zouden storen.

De reeks is gemaakt door regisseurs die affiniteit met zowel tv als toneel hebben. Zij kozen verschillende vormen die pasten bij de toneelstukken, de een conventioneel, de ander wat experimenteler. Om de drukte van Het temmen van de feeks te vangen, maakt Peter de Baan gebruik van splitscreens. In Blackface laat Marc Nelissen (tevens geestelijk vader van Toneel op 2) een camera-kraan voor het podium zweven. Eddy Habbema concentreert zich in Op hoop van zegen vooral op de koppen, die mooi afsteken tegen het calvinistisch zwarte decor. De verstaanbaarheid is erg goed omdat veel voorstellingen nu met zendmicrofoons worden gemaakt, met als voordeel dat je het geluid goed kunt mixen. Kosten: 100.000 euro per toneelstuk.

Niet alle stukken zijn zonder

kleerscheuren door het registreren heen gekomen. Op hoop van zegen, het enige stuk dat op prime time, kwart over acht, wordt uitgezonden, komt statisch over. Het stuk is gestript en strakgetrokken, en dat werkt goed op tv. Nergens wordt het pittoresk oud-Hollands of huilerig. De toon is wel wat hard. Vooral Marisa van Eyle, als vissersvrouw Kniertje die haar man en vier zonen aan de zee verliest, heeft zich stellig voorgenomen om geen krimp te geven. Op toneel werkte dat heel verfrissend – huilen doet het publiek liever zelf – maar op televisie verliest ze zo wel de sympathie. Vooral omdat ze begint met een lelijke schreeuwpartij die te veel is voor de huiskamer. Een ander slachtoffer van de tv-registratie is Bart Klever, die in de recensies veel lof kreeg voor de wijze waarop hij vijf, deels samengevoegde dubbelrollen speelde. Voor tv zijn Klevers bekkentrekkende oude mannetjes echter te overdadig.

De televisieregistratie werkt in het voordeel van fotogenieke acteurs. Vooral als ze ook nog een aangename stem hebben en naturel, klein spelen. In sommige stukken weten de bijrollen er zo verrassend uit te springen. In Op Hoop van Zegen zijn dat Saskia Temmink, Guy Clemens en Fockeline Ouwerkerk; niet toevallig acteurs die je sneller met televisiewerk dan met toneel associeert.

Zo is één der redenen waarom De koopman van Venetië het beter doet op tv de aanwezigheid van Loes Haverkort. Het stuk bestaat slechts voor de helft uit het verhaal over de wraakpoging van Shylock. De andere helft is een slap sprookje over een huwelijksquiz: wie het juiste van drie raadselkistjes opent, krijgt de hand van de rijke Portia. In het theater was het uitzitten van de Portia-scènes een bezoeking. Als Pierre Bokma afging, zakte het stuk in. In de tv-registratie springt echter opeens Loes Haverkort in het oog, een actrice die me eerder niet was opgevallen. Vrolijk dun meisje met een blond staartje, met een aanstekelijke energie, een warme klankkleur, en het vermogen om Shakespeares poëzie volkomen naturel uit haar grote mond te laten rollen, terwijl ik bij andere Shakespeare-acteurs vaak denk: „Stem zakt, daar komt weer een bijzin.” Haverkort sleept me op tv moeiteloos door de Portia-quiz heen. Ze doet daarmee ook Shakespeare een plezier: ‘De koopman’ is in de loop der eeuwen het stuk over Shylock geworden, maar eigenlijk heeft Portia de hoofdrol. Shylock krijgt slechts 79 clausen in vijf scènes. Portia komt in het stuk 117 keer aan het woord, in negen scènes.

Wie zo zes toneelstukken van het afgelopen seizoen achter elkaar ziet, gaat vanzelf nadenken over de staat van het Nederlands theater. Het politiek engagement, dat de kunsten sedert 11 september 2001 kleurt, blijkt ook het schouwburgtoneel te overheersen. Zes van de zes stukken hebben sociaal onrecht als onderwerp. In alle zes wordt de westerse heersende klasse als volkomen rot neergezet. De corpsballen in ‘De Feeks’, de reder in ‘De Hoop’, de plantagehouder in Blackface, de kooplieden van Venetië, de fabrieksdirecteur in Kasimir en Karoline: ze spugen op arbeiders, joden, zwarten, vrouwen, homo’s of vissers. Anti-kapitalisme is de grondhouding van de betrokken toneelregisseurs. Geld is de duivel die alles kapotmaakt. In deze maatschappij is alles te koop, ook de liefde. In ‘De Feeks’ verkoopt de vader zijn dochters. De fabrikant en de rechter in ‘Kasimir’ kopen arbeidersmeisjes op de kermis. In Geslacht koopt de homoseksuele vriend zijn veel jongere minnaar uit Chili. Bij ‘De Koopman’ en ‘Kasimir’, dat zich afspeelt tijdens de crisis van de jaren dertig, is het overduidelijk zo, maar in feite tonen alle stukken wat momenteel in de mode is: kredietcrisistoneel.