Paarden in de woeste branding

De kunstredactie bezoekt kleine musea in Nederland. Dit keer het Katwijks Museum in het Zuid-Hollandse Katwijk. Deel 2 in een serie.

Hans von Bartels 'Vissersvrouw'

Als twee Katwijkers met elkaar op straat staan te praten, denken buitenstaanders vaak dat ze aan het ruziën zijn. „Dat is nog een erfenis uit de tijd dat de vissers elkaar moesten toeschreeuwen om boven het lawaai van de zee uit te komen”, vertelt Kees van der Plas, beheerder van het Katwijks Museum en zelf zoon van een Katwijkse visser.

Het Katwijks Museum is gevestigd in een statige rederswoning van de familie Meerburg op de Voorstraat nummer 46. De Het huis uit 1913 moet een imposante uitstraling hebben gehad temidden van de eenvoudige vissershuisjes. „Er was een enorm standsverschil tussen de reder en het vissersvolk en de wekelijkse loonzakjes werden op gepaste afstand door dat raam aangereikt”, zegt Van der Plas in de deftige herenkamer, wijzend op een klein schuifraampje. Tussen 1953 en 1981 was hier een politiebureau gevestigd en het is aan de zuinigheid van de commissaris te danken dat de herenkamer en het ‘boudoir’ van de vrouw des huizes in de oorspronkelijke staat zijn gebleven met houten lambriseringen en marmeren schouwen.

Het museum, dat sinds 1983 in het pand is gevestigd, is onlangs uitgebreid en opnieuw ingericht. Tijdens de rondleiding krijgt Van der Plas voortdurend vragen van vrijwilligers die in het museum werken, maar dat weerhoudt hem er niet van te vertellen over de kern van de collectie, het werk van schilders uit de kunstenaarskolonie Katwijk.

Jan van Goyen schilderde in 1641 al zijn Gezicht op Katwijk, en omstreeks 1870 kwamen de eerste kunstenaars in de zomer naar het zeedorp om en plein air het leven van de vissers vast te leggen. Ze logeerden in het Badhotel of in de oude herberg De Zwaan op de hoek van de Voorstraat en de Boulevard. Kunstenaars D.A.C. Artz en Alphonse Stengelin verbleven aanvankelijk in de herberg, maar later huurden ze een deel van een visserswoning. Bekende kunstenaars als Jan Toorop, B.J. Blommers en Willy Sluiter lieten zelfs een atelierwoning bouwen.

De schilders stonden met hun ezels vaak met zijn allen in de duinen op het strand of in het dorp dezelfde taferelen te schilderen. In het museum kan hun werk daarom goed met elkaar worden vergeleken. Het zware bestaan van de vissers is door de schilders met compassie vastgelegd. Vrouwen, wenend om de mannen die op zee waren gebleven, stevige paarden die door de woeste branding naar de bomschuiten op zee ploeteren, soms met een visser op de rug, gehuld in een bruine cape.

In de vitrines hangen voorbeelden van Rijnlandse en Katwijkse klederdrachten. Verder het gereedschap om netten te boeten, of haring te kaken, het tuig van de paarden, de oorijzers en de opvallend gebreide visserstruien. „Langs de hele Noordzee tot aan Denemarken toe had elke vissersplaats zijn eigen logo op de trui”, vertelt Van der Plas. „Wanneer er een lichaam ergens aan de kust aanspoelde, kon men het direct lokaliseren.”

De graficus Tjeerd Bottema kwam op hoge leeftijd op gezette tijden in het museum om koffie te drinken en een praatje te maken. Na zijn dood in 1978 ontving het museum een legaat uit zijn nalatenschap dat de inrichting van het museum in 1983 mogelijk maakte. In de Bottemazaal is een grote collectie grafiek van hem te zien.

Gevraagd naar het favoriete werk in de collectie vertelt Van der Plas het werk mooi te vinden van de Duitse schilder Hans von Bartels (1856-1913). Deze logeerde in vissersgezinnen en behalve de bomschuiten en de vissers, schilderde hij ook hun kinderen, zoals het meisje Alida dat hij heel vaak portretteerde. Het hoogtepunt van de kunstenaarskolonie lag tussen 1880 en 1914. Na 1920 waren er vooral welvarende badgasten die Katwijk bezochten.

Op de eerste verdieping is op de langwerpige maquette te zien hoe prachtig de Boulevard in die tijd moet zijn geweest, met statige witte hotels met karakteristieke veranda’s een oude wat scheefstaande herberg. Al dit moois verdween toen de Duitsers voor de Atlantikwal een vijfenveertig meter brede strook vanaf de boulevard vrij maakten. „Ach,” zegt Van der Plas, „in 1946 kwamen de eerste Duitse badgasten alweer, en niemand die er iets over zei.”

Bij het verlaten van het museum passeren we de toeristenmarkt in de Voorstraat. Twee mannen vragen aan elkaar hoe het gaat. Hun luide en staccato kreten lijken inderdaad op ruziemaken.