Ontsnappen uit een propvolle kleine flat in een banlieu

Astria Fataki woont met drie zussen, een broer en haar ouders in een Franse banlieu.

Het belet haar niet om keihard te studeren. Ze rekent op een betere toekomst.

In de wereld waar Astria Fataki (net 19) woont, krijg je niets eenvoudig. Ook geen toegang. Er zijn geen bellen in haar verveloze cité uit de jaren zestig in Le-Mée-sur-Seine, een voorstadje van Melun, dat zelf weer een verre banlieuestad ten zuidoosten van Parijs is.

De aftandse brievenbussen in de hal vermelden haar familienaam niet. Opgeschoten jongens die in het portaal hangen, raden de zesde etage aan. Haar moeder doet open. En gaat zelf snel de deur uit. Astria is nog niet thuis.

Goed, eerst de wereld van Astria Fataki zónder haar. Zusjes van vijf en zes razen door de krappe woonkamer; het gezin telt vijf kinderen. Een reusachtige tv, veel groter dan de kinderen, overstemt hun kabaal met gemak. Vader Jean-Pierre, reparateur bij een technologiebedrijf, droomt van een reis naar zijn geboorteland, Congo-Kinshasa.

Op het ruime balkon – overvol, want tegelijk rommelberging, proviandkast en droogruimte – kijken de jongste zusjes opgewonden naar de wolken. De grootste ziet vader voorbij vliegen, zegt ze, en moeder ook. En daar heb je God.

God is piepklein, vertelt ze. Hij haalt nauwelijks een centimeter tussen haar vingers. Geen wonder, vindt ze: op straat hier zegt iedereen inshallah. En de grote jongens gebruiken vieze woorden. Haar vader zegt dat inshallah geen vies woord is. Respect voor andersdenkenden is belangrijk voor het christelijke gezin. Net als hard werken. Ook in de vakantie moet je elke dag werken, zeggen de kinderen.

Het is vijf voor negen, bijna twee uur later dan we hadden afgesproken. Astria komt thuis. Ze zat bij de kapper, sinds half twee. Haar vlechten glanzen. „Ik was tweeënhalve maand niet geweest”, verontschuldigt ze zich. Geen tijd gehad. „Eerst eindexamen, nu elke dag werken bij de bakker en ik volg ook nog autolessen.” En vakantie dan? „Dat is niets doen, daar ben ik niet goed in.” Hup, weg is ze weer. Omkleden. Spijkerbroek en shirtje uit, zomerjurk aan: ze wil mooi zijn voor op de foto.

Over drie weken volgt de échte metamorfose. Dan gaat Astria Fataki „ontsnappen aan de banlieue”, zoals ze zelf zegt. Tot die tijd ontvangt ze op haar krappe tienerkamer. We passen precies op de twee stoelen tussen het stapelbed – Astria slaapt boven, haar twee jaar oudere zus beneden – en het kleine bureau, dat ze samen delen.

Op 1 september krijgt Astria een ruime kamer in het Maison de Monaco, de internationale universitaire campus die is gesitueerd in het enige bewoonde park van Parijs. En ze gaat studeren aan Sciences Po, dé aanlooproute voor de toekomstige Franse elite.

Dat is bijzonder. Jaarlijks proberen zo’n 11.000 eerstejaarsstudenten één van de 900 plaatsen op Sciences Po te veroveren. Ze zijn meestal afkomstig van topscholen en komen uit intellectuele milieus. Want om de toelatingsexamens te halen is slimheid alleen niet genoeg. Een goede voorbereiding vereist een uitstekende middelbare school en maatschappelijk geslaagde ouders, liefst met een ruim huis. Daar kun je dan in alle rust studeren. En je treft er in het beste geval ook regelmatig mensen met macht en invloed – die ook op Sciences Po weer in zicht komen.

Astria Fataki heeft dat allemaal niet. De school van Astria, het lycée George Sand, eindigde dit jaar als 1.655ste in het nationale eindexamenklassement van 1.915 scholen. Vier op de tien van haar schoolgenoten stevenen af op werkloosheid, afgaand op de statistieken over jongeren in immigrantenvoorsteden.

Maar het lycée George Sand is óók één van de 62 achterstandsscholen die een overeenkomst met Sciences-Po heeft om talenten in twee jaar klaar te stomen voor een – aangepast – toelatingsexamen. Van de twintig vrijwilligers haalden er dit jaar twee de eindstreep, Astria was één van de twee. Ze behoort tot de 125 leerlingen uit achterstandswijken die dit jaar op Sciences Po zijn toegelaten.

Toen ze tijdens de laatste fase van het toelatingsexamen tegenover de directeur van Sciences Po in persoon zat, was ze „daarvan erg onder de indruk”, vertelt ze. Richard Descoings, die door president Sarkozy is belast met een onderzoek naar de reorganisatie van het Franse onderwijs, wilde van Astria weten wat voor economisch regime Frankrijk heeft. „Ik raakte in de war. Op school heb ik nooit economie gehad.”

Astria ziet de positieve discriminatie, die in Frankrijk erg omstreden is, als een erkenning. „Het is waar dat ik me niet helemaal geïntegreerd voel.” Zo steekt het haar dat ze nog altijd geen Française is, ondanks twee verzoeken tot naturalisatie. „Terwijl ik alleen dit land ken. Ik woon hier sinds ik acht maanden oud ben.”

Twee jaar heeft ze onafgebroken gewerkt om zich te kwalificeren. Hier, in deze drukte? „Ja, ik moet wel overkomen als het typische banlieuemeisje”, lacht ze. „Maar het is de realiteit.” De tv, pal achter de te dunne wand van haar kamer, is „inderdaad een beetje groot, een gril van mijn vader”. En als ze rust zocht op een andere kamer, „moesten mijn zusjes daar altijd ook toevallig zijn.”

Maar ze heeft van haar ouders geleerd dat je nooit moet opgeven. Soms studeerde ze bij vriendinnen, „en ik heb de gewoonte gekregen om ’s nachts te werken”. Ze berekent haar uren slaap. „Zeven uur is meestal genoeg.”

Met Sciences Po wil ze „iets teruggeven, al is het maar een honderdste” aan haar ouders. Het gezin kende „hele moeilijke periodes”, ze woonden hiervoor nog kleiner – toen ze net in Frankrijk aankwamen door een bijzonder toeval zelfs enkele maanden op een kamer in de Cité Universitaire waar ze nu als studente heen gaat. „Ik weet dat mijn vader trots is dat ik in zijn sporen treed, zoals hij dat zegt.”

Haar tweede doel is het onderwijs in Frankrijk opnieuw vormgeven, later als ze afgestudeerd is. „Ik heb gezien waar het misgaat. Die jongens die auto’s in de fik steken, die hebben geen andere middelen om hun woede te uiten. Ik kan straks effectiever optreden.” De belangrijkste opdracht, denkt ze, is hun houding te veranderen. „Ik kijk vooruit, daardoor weet ik dat ik geen tijd te verliezen heb. Als ik vijf minuten vrij heb, pak ik een boek. Maar als je van dag tot dag leeft, vergooi je je leven.”

Natuurlijk kan Astria „nooit in mijn eentje alle scholen van het land afgaan”. Ze moet hoger streven, zodat anderen haar plannen kunnen uitvoeren. Intussen piekert ze over macht en manipulatie. Neem zoiets als de publieke opinie. „Dat is tegelijk de mening van iedereen en van niemand. Je kunt ermee doen wat je wil.”

Als negenjarige wilde ze gekozen worden in de gemeenteraad voor jongeren. Maar ze was „helemaal niet populair”, omdat ze altijd alles beter wist. Ze vond haar klasgenoten „futiel”: altijd maar bezig met kliekvorming en vleierij. „Om gekozen te worden, ben ik me toen precies zo gaan gedragen. En het werkte: ik werd gekozen.”

Toen had Astria „voor het eerst door dat je het spel mee moet spelen om efficiënt te zijn”. Precies wat ze op Sciences Po gaat doen. Verder zal ze „net als nu leven”, denkt ze: altijd werken. Ze heeft gezien dat er een bibliotheek in haar studentenhuis is. „Daar zal ik veel zitten.” Maar ook thuis blijft ze nodig. Want haar zusjes kijken te veel tv. En ze werken helaas niet elke dag, zegt Astria. Ze heeft Engelstalige video’s gekocht, om hen te stimuleren over de grens te kijken.