Oermens had al bittere smaak

Neanderthalers hadden dezelfde genetische variatie in het proeven van bitter als moderne mensen. Dit blijkt uit een analyse van DNA uit een Spaans Neanderthal-fossiel uit El Sidron. Een kwart van de moderne mensen mist het vermogen om de bitterheid te proeven die voorkomt in veel planten (zoals in broccoli, spruiten en andere kolen, al is die bitterheid er tegenwoordig vaak zorgvuldig uitgekweekt). Dat komt omdat bij hen het gen TAS2R38 in een gemuteerde variant voorkomt op beide chromosomen. Deze gemuteerde variant is nu ook aangetroffen bij de Neanderthaler uit El Sidron, die ongeveer 48.000 jaar geleden leefde, zo schrijven Spaanse onderzoekers in het vakblad Biology Letters van 12 augustus (online).

De onderzoekers concluderen dat het gemuteerde gen al moet zijn voorgekomen bij de gemeenschappelijke voorouder van Neanderthalers en moderne mensen, die ongeveer 400.000 jaar geleden leefde. De ‘niet-bitterproevenvariant’ van het gen is recessief: alleen wie deze variant van zowel van vaderskant als moederskant erft, proeft de bitterheid niet. Dat was bij de El Sidron-Neanderthaler niet het geval. In zijn DNA werd ook het normale gen voor de bitter-receptor op de tong aangetroffen. Hij was dus alleen drager. Bij mensen is het dan wel zo dat de bitterheidservaring iets minder is dan wanneer je twee exemplaren van het normale gen hebt. Bij Neanderthalers zal het niet anders zijn geweest.

Bitter proeven is een belangrijke eigenschap voor planteneters: bitterheid wijst meestal op giftigheid en dus op onheil. Dat niettemin zo lang een genvariant kan blijven bestaan die het juist onmogelijk maakt om bepaalde vormen van bitterheid te proeven is dus opmerkelijk. De verklaring is dat de bittere plantenstoffen ook vaak medicinale werking hebben. De verminderde gevoeligheid van de dragers van beide genvarianten, zoals de El Sidron-Neanderthaler maakt het makkelijker om – voorzichtig – die bittere stoffen uit te proberen. Dat weegt evolutionair op tegen het gevaar van de totale ongevoeligheid bij een deel van de bevolking. Bij chimpansees bestaat dezelfde situatie, maar bij hen is de recessieve niet-bitterproevenvariant een heel andere mutatie dan bij mensen.