Idealen en belangen

Eigenlof stinkt. Zo luidt een oud vaderlands gezegde. Het lijkt er een beetje op dat minister Verhagen zich daaraan schuldig maakte toen hij in de krant van 29 juli schreef dat „de keuze van de regering om mensenrechten centraal te stellen in het buitenlands beleid meer dan onder mijn voorgangers een onderdeel is geworden van het dagelijkse diplomatieke werk”.

Maar klopt dit staaltje eigenlof ook met de werkelijkheid? Het is in elk geval niet aardig tegenover zijn voorgangers, in de eerste plaats Van der Stoel (1973-1977 en 1981-1982), die zich, zonder er hoog van de toren over te blazen, voor de mensenrechten beijverde. Dat betekende in die dagen vooral de mensenrechten in communistisch Oost-Europa, en daarmee oogstte hij niet altijd de lof van diegenen onder zijn partijgenoten van de PvdA die bang waren dat hij daarmee de Sovjet-Unie wel eens zou kunnen mishagen en zo de vrede in gevaar brengen.

Maar ook anderen onder Verhagens voorgangers hebben zich, verbaal althans, de mensenrechten aangetrokken. Zelfs de uitdrukking ‘de mensenrechten centraal stellen in het buitenlands beleid’ is niet origineel. Zo zeggen de memories van toelichting voor de jaren 1985 en 1986 (onder minister Van den Broek) al dat de zorg voor de mensenrechten een „centraal bestanddeel” van het buitenlands beleid vormt.

En minister Van Aartsen (1998-2002) heeft het instituut opgericht van een aparte ambassadeur voor de mensenrechten. Of deze functionaris het aantal concrete resultaten van dit beleid heeft verhoogd, is moeilijk uit te maken, maar de carrière van de desbetreffende hoeft er niet op een dood spoor door te raken: de eerste in die functie is nu ambassadeur in Washington.

Minister Verhagen zet dus gewoon een Nederlandse traditie voort. Of zij onder hem meer zal opleveren dan onder zijn voorgangers moet nog blijken. Hij is pas tweeëenhalf jaar minister, en er zijn meer politici geweest die met hooggestemde idealen het ambt van minister hebben aanvaard. Wat is er van het „ethisch beleid” terechtgekomen dat Tony Blairs eerste minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, beloofde? In elk geval was hij na vier jaar weg, tegen zijn zin.

Ook president Sarkozy begon, in 2007, zijn ambtsperiode met de verklaring dat zijn land voortaan aan de kant van de onderdrukten en vervolgden zou staan en stelde daarom een staatssecretaris voor de mensenrechten aan. Die post is onlangs afgeschaft. Tja, „er is een permanente tegenstelling tussen de rechten van de mens en het buitenlandse beleid van de staat”, verzuchtte minister van Buitenlandse Zaken Kouchner, die toch, als oprichter van Artsen zonder Grenzen, zijn sporen op dit gebied had verdiend.

Ja, de vraag is of een mensenrechtenbeleid überhaupt wel een zaak is van buitenlands beleid – althans zolang het niet wordt gebruikt als instrument van dit beleid. Dat laatste was het geval tijdens de Koude Oorlog, toen het erom ging de tegenstander, die onze veiligheid leek te bedreigen, in zijn zwakke plekken te raken. En een van de zwakke plekken van de Sovjet-Unie was haar wankele positie in wat toen de satellietstaten werd genoemd. Dáár vond een beroep op de mensenrechten, die er geschonden werden, gehoor – en ten slotte succes.

Maar wie is nu, na de Koude Oorlog, onze tegenstander die onze veiligheid bedreigt? De na de val van de Muur ontstane situatie heeft aan een mensenrechtenbeleid veel van zijn eventuele effectiviteit ontnomen. Nu blijft er niet veel meer over dan dreigen met het onthouden van voordelen – meestal op economisch gebied. Maar dit is vaak een mes dat aan twee kanten snijdt en trouwens in de eerste plaats eigen kracht vereist.

Anders loopt een mensenrechtenbeleid gevaar declaratoir te blijven, een beleid dat volstaat met het afleggen van verklaringen, die, afhankelijk van de geadresseerde, met min of meer geduld worden aangehoord – en genegeerd. Een willig oor kan zo’n beleid meestal wel in het binnenland vinden, maar dan is het geen buitenlands beleid.

Elk mensenrechtenbeleid baseert zich ten slotte op de uit 1948 daterende Universele verklaring van de rechten van de mens, maar die is, zoals de onlangs overleden filosoof Leszek Kolakowski eens betoogde, niet anders dan „een opsomming van wensen”. Er is, zei hij, niets tegen wensen, maar daarmee zijn ze nog geen waarheden. In elk geval blijken ze niet universeel als waarheden opgevat te worden.

Kolakowski ziet zelfs „een gevaarlijk element” in de mensenrechtendoctrine: „Ze heeft in onze beschaving een sfeer geschapen van eindeloze aanspraken die in mensenrechtentaal worden verkleed. Wat ik mezelf ook maar toewens, ik heb er recht op.” Daarnaast kan die doctrine ook voor slechte doelen gebruikt worden. Zo kan de vrijheid van drukpers ook een instrument zijn om leugens en laster te verspreiden.

Maar minister Verhagen komt, behalve voor onze idealen, ook voor onze belangen op. In een interview in Forum (23 juli) zegt hij dat Nederland, met zijn zeventiende economie ter wereld en zevende bancaire sector, bij de jaarlijks bijeenkomende club van de grote economieën, de zogeheten G20, wil behoren. We moeten „iedere keer knokken om er toegelaten te worden”. Dat is twee keer gelukt, maar moet een recht worden.

Dit is een legitiem streven. Op zichzelf dus geen bezwaar ertegen. Maar het heeft wél het gevolg dat, naarmate de G20 meer landen omvat, de neiging bij de werkelijk groten sterker wordt om de zaken onderling te bedisselen. Er wordt al gesproken van de G2: Amerika en China.

Bovendien: met Nederland erbij wordt de Europese aanwezigheid in de G20 wel heel groot (er zitten al vier Europese landen plus nog de EU in). Is dat in overeenstemming met Europa’s werkelijke betekenis – ook in andere ogen?

U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of online reageren op nrc.nl/heldring