Guadeloupe zoekt eigen, zwarte trots

In het Franse postkoloniale wereldrijk van stipjes op de kaart laaien de spanningen op. Ook op het Antilliaanse eiland Guadeloupe. „Wij zijn een jonge natie.”

De revolutionair van Guadeloupe laat op zich wachten vanavond. Voor het hek van het vakbondspaleis in hoofdstad Point-à-Pitre staan een paar honderd mensen uit de omliggende arme wijken te luisteren naar actieleiders van de LKP: Liyannaj Kont Pwofitasyon. Het is een creoolse naam, te vertalen als Alliantie tegen Uitbuiting.

Elie Domota (42), de aanvoerder, blijft onzichtbaar. Iedereen let op hem, sinds hij de LKP in december oprichtte. Een paar maanden later kreeg hij al een kwart van de 400.000 inwoners op de been tijdens een algemene staking die het Frans-Antilliaanse eiland 44 dagen verlamde.

President Sarkozy beschuldigt hem ervan een klimaat van wanorde en geweld te vestigen. Franse journalisten rapporteren geschokt dat Domota hun ‘buitenlanders’ noemde. Guadeloupe wordt als Département d’Outre Mer (overzeese provincie) geacht even Frans te zijn als Normandië of Corsica.

Maar sinds de staking is er iets veranderd. „La Guadeloupe, elle est à nous”, zingen de mensen strijdbaar. „Guadeloupe is van ons.”

Domota blijkt afzijdig op de stenen treden op de binnenplaats te zitten, achter een geparkeerde auto. Hij draagt teenslippers, een korte broek en een T-shirt waarop trommels afgebeeld staan – gwoka’s, het traditionele slaveninstrument dat de laatste jaren weer populair geworden is. De vele gwokafeesten gelden als teken van trots op de eigen cultuur.

Wie is ‘ons’ op Guadeloupe? Elie Domota glimlacht. Hem wordt wel verweten anti-blank te zijn. „‘Ons’ is in aanbouw”, ontwijkt hij. „We zijn een jonge natie.”

Het is een onverwacht gevolg van de economische crisis: in het Franse postkoloniale rijk van stipjes op de wereldkaart zijn de spanningen opgelaaid. Van de Franse Antillen tot La Réunion in de Indische Oceaan gaan sociale acties gepaard met zich afzetten tegen het moederland. De uithoeken verlangen autonomie, erkenning van de eigen identiteit.

Deze maand was het onrustig in Nieuw-Caledonië. Op Guadeloupe vielen dit voorjaar twee doden, door een schietpartij en een motorongeluk, beide bij een barricade. De 44-dagenstaking begon in januari uit protest tegen de hoge brandstofprijzen, symbool voor het duurdere leven hier. Een tandenborstel van 2,95 euro in Europa kan na 8.000 kilometer vliegen zomaar 6 euro kosten. Concurrentie wordt bemoeilijkt omdat een selecte groep – vooral blanke – ondernemers de distributie beheerst.

„De crisis heeft de tongen losgemaakt”, vertelt eilandpresident Victorin Lurel. Als gekozen voorzitter van de Conseil Régional is hij de sterke man van het eiland, en de grootste vijand van Domota. Hij geeft de LKP een beetje lof. „Het is waar dat de economische macht nog altijd in de handen ligt van een blanke elite. Dat het eerlijker moet.”

Tegelijk maakt de sociaal-democraat maakt zich zorgen over de stemming op het eiland. „Als ik zeg dat ik een Franse republikein ben, die voor gelijkheid is, noemen ze me tegenwoordig een verrader. Als ik zeg dat we het slavernijverleden niet de hele tijd moeten aanhalen, ben ik vervreemd.”

Lurel komt uit een politieke familie. Grootvader was een rechtse politicus, vader een communist. Allebei zwarte prominenten die regelmatig in Parijs kwamen, net als Lurel nu. Het lied ‘Guadeloupe is van ons’ beschouwt hij als uiting van wat hij noirisme noemt: zwart wil alleen nog met zwart samen. „Als we uit naam van de natievorming puurheid gaan theoretiseren, vechten we tegen onszelf.”

Sinds midden vorige eeuw is er een Antilliaanse intellectuele elite die voor onafhankelijkheid pleit. In de jaren zeventig en tachtig werden er aanslagen gepleegd. Veel indépendantistes steunen nu de LKP.

Op een vrijdagavond luisteren in het gemeentehuis van het stadje Petit-Bourg circa 150 Guadeloupeanen eerbiedig naar een ineengedoken mannetje achter een microfoon, dat hen zojuist fous-fous heeft genoemd: dolle dwazen. Romancier Patrick Chamoiseau, overgevlogen van Martinique, bedoelt het als compliment. Antillianen hebben een jonge cultuur, de grenzen van de identiteit liggen niet vast. Hij legt uit dat de 48 organisaties waarop de LKP steunt niet moeten streven naar overeenstemming. „Dat iedereen samen vrolijk zijn eigen weg gaat, dat is onze natie.”

Chamoiseau is een van de aanvoerders van de intellectuele beweging voor Antilliaanse onafhankelijkheid. Maar hij waarschuwt zijn gehoor tegen „negentiende-eeuwse symbolen als vlag en volkslied”. Hij is ook niet voor ‘autarkie’ en het doorsnijden van economische banden. Etnisch gemengde post-slavernijsamenlevingen als Guadeloupe en Martinique zijn volgens hem geschikt voor een meer cultureel, individueel bepaalde nationale verbondenheid. De zaal blijft stil. „De mensen zien mij als een dromer”, zegt de schrijver achteraf.

Toch is Chamoiseau niet de enige die individualisme ziet als de kern van de Antilliaanse identiteit. In een kaal atletiekstadion in Les Abymes, een arme voorstad van Point-à-Pitre, lanceert trainer Harry Méphon met ferme stem de ene na de andere atleet. Een estafette van 100 keer 400 meter, om het seizoen af te sluiten. Er rennen zwarte kinderen mee, jonge jongens en bejaarden, blanke vrouwen van middelbare leeftijd. Snelheid doet er niet toe, als het stokje maar doorgegeven wordt.

„Sinds de slavernij zijn Guadeloupeanen erop gericht zich te onderscheiden door individuele kracht”, meent Méphon. „‘Ons’ is altijd een moeilijk begrip geweest in deze verbrokkelde samenleving.”

Als voormalig atleet in Frankrijk keerde de nu 50-jarige Méphon, een forse en joviale man, twintig jaar geleden terug naar Guadeloupe om trainer te worden van aankomende topsporters. Maar ‘sport om de sport’ werkte niet. Guadeloupe zat met zichzelf in de knoop. Het had te maken met dat gemankeerde wij-gevoel, het slavernijverleden, dacht hij.

Méphon promoveerde als socioloog op de kwestie en nu beschouwt hij sport als een van de beste middelen om eigenwaarde te kweken onder de jeugd op Guadeloupe. „De LKP heeft goed onze problemen blootgelegd”, zegt hij. „Maar ze biedt geen praktische oplossingen voor de jeugd.”

Onder jongeren is de werkloosheid 40 procent. Voor velen is studeren – in Europa – te duur. En wie wel gaat, blijft vaak weg. Guadeloupe is „een kerkhof voor hoger opgeleiden” zegt Elie Domota. De LKP-leider ontvangt dit keer in het vakbondsgebouw. Een ijsfrisse airco houdt het koortsige eiland op afstand.

Na zijn rechtenstudie in Limoges keerde Domota terug naar Guadeloupe. Een paar jaar vond hij geen vaste baan, tot hij twaalf jaar geleden binnenkwam bij het arbeidsbureau. Sindsdien is hij Frans ambtenaar. Domota zegt dat hij „toch wel verbaasd” was over het succes van de LKP-beweging. Tot in de meeste afgelegen dorpen wierpen jongeren barricades op. „De wanhoop was groter dan we wisten.” Een paar avonden riep hij op de radio op tot kalmte.

Achteraf ziet hij ‘de crisis’ als een politiek-culturele doorbraak. „Wij waren eindelijk gewoon onszelf. Zwart en trots.”

Eilandpresident Lurel verwijt Domota dat hij haast heeft en onafhankelijkheid wil afdwingen „via de straat”. Domota grijnst. Hij kan zich voorstellen dat Parijs „nog, zeg, vijftig jaar” financiële en economische steun geeft. „Dat zijn ze ons wel verschuldigd. Maar of we onafhankelijk worden, is een keuze van de Guadeloupeanen.”