Een ferm besluit

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

„Sorry, ik moet weer aan het werk”, zei Jolanda nadat ik mijn liefde aan haar had verklaard in de kantine. Een jaar lang had ik op dit moment gewacht. Dankzij de lessen Nederlands had ik de volmaakte liefdesverklaring bedacht, maar toen ik hem uitsprak, miste hij elke overtuiging. Het was alsof het werd afgerateld door een robot. Ze stond op en liet mij verdoofd achter. In mijn hoofd klonk de liefdesverklaring steeds opnieuw. Ik kon hem maar niet uitzetten.

Terug in het scheepsruim raakte ik langzaam uit de verdoving en besefte wat er gebeurd was: ik was afgewezen door mijn droomvrouw. Dit besef kwam als een harde klap in mijn gezicht en deed het schip voor mijn gevoel kapseizen. Ik voelde mijn maaginhoud omhoog komen. Ik moest het schip verlaten. In het toilet kwam het er allemaal uit: mijn lunch en tranen.

De laatste keer dat ik zo hysterisch had gehuild, was toen ik als klein kind werd afgeranseld door mijn broer Moha omdat ik tijdens het hoeden een schaap was kwijtgeraakt. Hortend van het huilen vervloekte ik mijn bestaan in dit land: „O moeder, waarom ben ik hier naartoe gekomen? En wat dacht ik met een Nederlandse te gaan doen? Mustapha heeft gelijk, ik heb mijzelf verloochend.”

Ik vermande mij en ging weer aan het werk. Ik had een ferm besluit genomen: dit zou mijn laatste werkdag worden. Nog deze middag zou ik mijn koffers pakken en naar Marokko terugkeren.

Na het werk liep ik over de kade terug naar huis. Dit zou de laatste keer zijn dat ik al die kotters en vissers aan de haven zou zien. Het was een zinderende zomerdag. De IJmuidense haven had er nog nooit zo prachtig bij gelegen.

Ik nam in stilte afscheid van alles wat ik tegenkwam, maar de omgeving wilde geen afscheid van mij nemen. „Driss, wacht”, leek het te willen zeggen, steeds luider, totdat ik het vlak naast mij hoorde.

„Driss, wacht!” Het was Jolanda op de fiets. „Driss Tafersiti, ik ben Jolanda Tielemans. Ik hou niet van je, en ik droom ook niet van je. Maar ik wil wel een kop koffie met je drinken.” Ik dacht geesten te zien en wilde verder lopen toen ze opnieuw sprak. „Sorry dat ik je zo liet zitten in de kantine, maar je overviel me een beetje met je verhaal.” Ze vroeg of ik meeging om koffie te drinken. „Stap je achterop?” Ik ging op de bagagedrager zitten en hield haar zadel stevig vast; dit moment zou niemand van mij afpakken.

We stopten bij een klein visrestaurantje en bestelden koffie. De eerste momenten waren ongemakkelijk, we wisten niet zo goed wat we tegen elkaar moesten zeggen.

„Lekkere koffie, he?” zei ze. „Ja, lekkere koffie”, zei ik. Daarna was het een tijdje stil. „Vind je IJmuiden een leuke stad?” vroeg ze. „Ja, lekkere koffie”, antwoordde ik. Ze lachte. Ik realiseerde mij te laat dat ik een fout had gemaakt en kreeg een rood hoofd. Onnozel grijnzend lachte ik met haar mee.

„Mag ik jou wat vragen, Jolanda?” Ze knikte. „Waarom ben je achter mij aan gefietst?” „Gewoon”, zei ze en haalde haar schouders op. „Ik wilde wel weten wat voor jongen dat is die zijn liefde aan mijn verklaart in de kantine.” Dat is een jongen die elk woord meende van wat hij tegen jou had gezegd, dacht ik.

We spraken nog wat en dronken onze koffie op. De conversatie verliep niet vlekkeloos, maar het was aangenaam om naar haar te luisteren en te kijken. Ik zou willen dat het nooit stopte. En net zo resoluut als ik deze middag had besloten om uit Nederland te vertrekken, zo zeker was ik er nu van om te blijven.

Driss Tafersiti