Dit kabinet is slecht voor de democratie

Deze coalitie predikt de representatieve democratie, maar in feite is er sprake van monisme en worden burgers en parlementaire minderheden niet gehoord, meent Hans Engels.

Vicepremier Rouvoet verkondigde bij het aantreden van het kabinet met een nauwelijks bedwongen triomfantelijkheid de boodschap dat de mensen in het land genoeg hadden van het individualisme. De nieuwe coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie voelde de tijdgeest beter aan: in deze tijden van angst en doem zouden de mensen zich weer bewust zijn van de waarde van het gemeenschapsdenken. Vandaar het regeringsmotto ‘samen werken, samen leven’, maar zonder veel zeggenschap van burgers zelf.

Na ruim twee jaar kan worden vastgesteld dat het allemaal niet is meegevallen. De dogmatische analyse van Rouvoet is buiten de coalitiefracties weinig overtuigend gebleken. Het kabinet claimt dat het bezig is de problemen van Nederland op te lossen, maar de definiëring van die problemen en de oplossingsrichtingen zijn van een nogal eenzijdig ideologisch gehalte. De wens om vanuit de overheid burgers op te voeden en de samenleving naar het eigen beeld te modelleren, is bovendien van een veel te grote pretentie en niet ongevaarlijk. Het maakt mensen te veel afhankelijk van de staat en belemmert het zoveel mogelijk nemen van eigen verantwoordelijkheid. Bovendien maakt het van Nederland een naar binnen gekeerde provincie in de Europese en mondiale verhoudingen.

Alleen zij die geloven in het christelijk-sociale maatschappijbeeld hebben waarschijnlijk nog enig vertrouwen in het beleid van het kabinet. Dat zijn er niet al te veel meer. De rest kijkt uit naar nieuwe tijden, hoewel de perspectieven daarvoor, gelet op de grote aanhang van op de uiterste politieke vleugels opererende tegenpartijen als PVV en SP, ook niet allemaal even opwekkend zijn.

Intussen worden belangrijke dossiers vooruitgeschoven of opzettelijk buiten het parlementaire debat gehouden. Dat uiteindelijk toch thema’s als langer doorwerken, de kredietcrisis en de kwestie-Irak op de politieke agenda komen, is vooral toe te schrijven aan de toegenomen druk van buiten de coalitie. Noodzakelijke hervormingen die bepalend zijn voor de toekomst van Nederland blijven liggen. Bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt en de woningmarkt, in het onderwijs en op klimaat- en energiegebied.

Maar de bevoogding zien we niet alleen in de inhoud van het beleid. Ook de besluitvorming daarover vindt plaats in een hardnekkig verdedigde politieke cultuur, waarin elke invloed of zeggenschap van parlementaire minderheden en burgers wordt geweerd.

Deze coalitie predikt de representatieve democratie, maar praktiseert de monistische partijendemocratie. Daarmee verhindert zij op voorhand elke poging om van ons door partijpolitiek machtsdenken vervormde staatsbestel een volwassen democratie te maken. Ook hier weer een afspraak om iets niet te doen. Wel zijn er wonderlijke plannen voor een ‘Handvest voor verantwoord burgerschap’ en een nieuwe Grondwet in gewone taal, met een hoogdravende preambule over de niet bestaande Nederlandse identiteit en met als voornaamste functie het stimuleren van maatschappelijke cohesie.

Vlak voor de vakantieperiode vroeg minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) zich in Vrij Nederland af waarom de intellectuele en culturele voorhoede niet meer maatschappelijk leiderschap toont (lees: het kabinet meehelpt) in de bestrijding van de verharding en vergroving in de samenleving. Eén van de verklaringen daarvoor is dat de maatschappelijke elite zich niet aangesproken voelt door de oproep van een minister die verantwoordelijk is voor de democratie, terwijl de coalitie elk denken over invloed en medezeggenschap van burgers voor vier jaar heeft stopgezet. Van de bestrijding van maatschappelijk ongewenst gedrag door verhoogde repressie en bevoogding tot achter de voordeur, gaat weinig aantrekkingskracht uit. Waar gaan we naar toe als burgemeesters niet alleen meer de orde en veiligheid bewaken, maar ook gezinsproblemen moeten gaan oplossen met huisverboden, een avondklok voor minderjarige kinderen, de uithuisplaatsing van asociale gezinnen en gedwongen opvoedingsondersteuning?

Wie – terecht – de samenleving wil meekrijgen in een herwaardering van en betrokkenheid bij de publieke zaak, zal de machtspolitieke en ideologische bevoogding moeten loslaten en zich moeten richten op een vergroting van daadwerkelijke invloed en zeggenschap van verantwoordelijke en mondige burgers.

Hans Engels is lid van de Eerste Kamer (D66) en hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.