Bij boze mensen komt de stoom uit hun oren

In allerlei culturen wordt woede gezien als iets heets, en de rechterkant als de goede kant. Maar de meeste linkshandigen vinden links juist the right side.

In Ghana mogen mensen niet wijzen en gebaren met de linkerhand. Volgens de islam moet men de linkerhand gebruiken om zichzelf te reinigen na toiletbezoek. Het woord ‘sinister’ komt uit het Latijn en betekende oorspronkelijk ‘links’. In het Engels betekent right zowel ‘rechts’ als ‘goed’. In verschillende talen (waaronder het Nederlands, Duits en Frans) lijkt het woord voor ‘rechts’ op het woord voor ‘recht’. Kortom, rechts wordt in allerlei verschillende culturen met ‘goed’ geassocieerd en links met ‘slecht’, ook ongeacht de richting waarin mensen in die culturen schrijven.

Waarschijnlijk is het verband tussen rechts en goed in taal en cultuur doorgedrongen doordat rechts bij de meeste mensen de dominante kant van het lichaam is. En iedereen gebruikt die taal en volgt die gewoonten, ook mensen die linkshandig zijn. Toch blijken die links – niet het woord, maar wel de linkerkant – vaker met ‘een goed gevoel’ te associëren. Dat is nu aangetoond door Daniel Cassanto, werkzaam bij Stanford University en het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Hij schrijft erover in het augustusnummer van Journal of Experimental Psychology: General.

Cassanto gebruikte diverse methoden om ervoor te zorgen dat de taal zijn onderzoek niet in de war schopte. Hij liet mensen bijvoorbeeld beoordelen welke van twee Fribbles (tekenfilmfiguurtjes) ze er het slimst of eerlijkst of gelukkigst uit vonden zien. De vraag stond in het midden, de te omcirkelen Fribbles links en rechts (maar die woorden werden niet gebruikt). Een ruime meerderheid van de linkshandigen kende de positieve eigenschappen meestal aan de linker-Fribble toe, en een ruime meerderheid van de rechtshandigen aan de rechter-Fribble. De figuurtjes stonden uiteraard in verschillende versies van de vragenlijst aan verschillende kanten, dus aan de specifieke Fribbles lag het niet. En het kwam ook niet doordat die kant met de dominante hand het gemakkelijkst te bereiken viel: als de vraag omgekeerd verwoord was (‘welke is het minst slim?’) omcirkelde een meerderheid van de mensen de Fribbles aan de kant van hun niet-dominante hand.

Het is nu erg ‘in’ binnen de sociale psychologie: onderzoek naar de manier waarop lichamelijke ervaringen ons denken beïnvloeden – embodiment, zoals het genoemd wordt. De Nederlandse vereniging van sociaal-psychologen ASPO heeft embodiment gekozen als thema voor haar jaarlijkse symposium, eind november, en in toptijdschriften verschijnen er steeds meer artikelen over.

In het augustusnummer van Emotion schrijven Amerikaanse psychologen nu bijvoorbeeld over het verband tussen hitte en woede in verschillende talen: over ‘heethoofden’, ‘ontploffen’ en ‘je hoofd koel houden’. Hun proefpersonen bleken woorden die met woede te maken hadden, sneller en beter te herkennen als die in een lettertype omrand met vlammetjes geschreven waren, dan in een lettertype met een laagje sneeuw aan de bovenkant. En als ze net een spelletje gespeeld hadden waarin het woord ‘woede’ centraal stond, schatten ze de kamertemperatuur hoger in dan wanneer ze een spelletje gespeeld hadden waarin het woord ‘vorm’ centraal stond. Ook zagen ze sneller woede in foto’s van onbekende gezichten als die geprojecteerd werden op een close-up van een kampvuur. Misschien zoeken mensen wel sneller ruzie met warm weer omdat ze dan sneller woede zien in gezichten van anderen, aldus de psychologen.

Mensen gebruiken rechts dus als metafoor voor goed, en hitte als metafoor voor woede, en die metaforen beïnvloeden het dagelijks leven. Psychologen hebben inmiddels een hele serie van dergelijke metaforen onderzocht: warmte voor vriendelijkheid (met een mok warme koffie in je hand vind je een vreemde aardiger), pijn voor verdriet (afgewezen mensen raken afgestompt en verdragen meer fysieke pijn), smerigheid voor immoraliteit (wie zijn handen net gewassen heeft, is milder in zijn morele oordelen), hoogte voor macht (de langste presidentskandidaat wint het vaakst de verkiezingen), rood voor seks (mannen vinden in het rood geklede vrouwen seksueel aantrekkelijker).

Het is moeilijk om erachter te komen hoe zulke metaforen zijn ontstaan. Daar wagen de psychologen zich dan ook meestal niet aan. Ze beschrijven het bestaan van zo’n metafoor in verschillende talen, tonen aan hoe die doorwerkt in oordelen of gedrag, en speculeren hooguit wat over de oorsprong. De woede-hitte-onderzoekers schrijven bijvoorbeeld dat een kokende vloeistof wel wat lijkt op een boos persoon: beide doen pijn, beide lijken te willen uitbarsten. Dat kun je lichamelijke ervaringen noemen, maar strikt gesproken wordt embodiment in zulke studies helemaal niet onderzocht.

Cassanto heeft in zijn links-rechts-onderzoek wel expliciet een verband aangetoond tussen lichamelijke ervaringen en abstracte oordelen. En dat verband is waarschijnlijk vervolgens in ons taalgebruik terechtgekomen – dankzij de rechtshandige meerderheid, die rechts met goed associeert.

Die neiging zie je ook vaak in musea: veel bezoekers willen bij de ingang meteen rechts een gang in, terwijl de meeste tentoonstellingen juist expres andersom zijn ingericht: die beginnen links en daarna zijn ze één grote bocht naar rechts, omdat dat nu eenmaal de richting van ons schrift en onze tijdbalk is. Juist omdat zoveel mensen een voorkeur voor rechts hebben, lopen er bij elke tentoonstelling zoveel mensen tegen de goede richting in.