Alleen tijdens het eten mag er gepraat worden

Hoe word je gelukkig in drie weken? Vandaag: 24-uur lang stil zijn.

Redacteur Annemarie Kas zwijgt, mediteert en valt per ongeluk in slaap.

Mobiele telefoon uit. Ook niet naar muziek op je mp3-speler luisteren. Liever geen alcohol, geen bezoek en op tijd bij de maaltijden en meditaties zijn. Niet met de andere gasten spreken, zodat iedereen zijn eigen stilte kan beleven. Dat zijn de leefregels van het Huis van Stilte. Het huis is een voormalige pastorie, een statig huis naast de kerk van Puurs, een dorpje vlak onder Antwerpen.

Op mijn kamer – met alleen een bed, kast en een bureautje – sluit ik een compromis: mijn telefoon gaat niet uit, wel op stil. Het is even zoeken hoe de trilfunctie uit moet, die staat altijd aan. Maar de komende 24 uur niet: het huis van stilte gaat me aandacht voor mijn ‘zelf’ opleveren.

Het huis heeft een strakke dagindeling. 07.30 uur meditatie, 8.00 uur ontbijt. 12.30 meditatie, 13.00 lunch. 18.00 diner, 20.00 avondmeditatie. Het is bedoeld om de afzondering te bevorderen, legt een van de twee gastvrouwen, Lut Coen, me uit. En ter bescherming van prikkels van buitenaf, zodat je gemakkelijker de juiste afstand in kunt nemen, tegenover jezelf en je omgeving.

Het huis lijkt hier perfect geschikt voor. Dikke, witte muren en kroonluchters aan het plafond, houten trappen met rode lopers en verder een eenvoudige inrichting, met hier en daar lijstjes met wijze teksten aan de muur. Een kleine bibliotheek met een zithoek, waar thee en koffie klaarstaan.

De enige plek waar praten wel is toegestaan, is aan de keukentafel, tijdens de maaltijden. De stilte is niet strikt of als straf bedoeld, zegt Lut, je mag elkaar bijvoorbeeld wel gedag zeggen. „Het is vooral niet de bedoeling dat mensen hun verhaal aan elkaar gaan vertellen. Onze gasten komen hier voor zichzelf.”

Ze raadt voor de meditaties het boekje Onze geest, de psychologie van meditatie aan, dat op het bureautje van mijn kamer ligt. Er staan zinnen in als: ‘Als je mediteert, wil dat zeggen dat je een houding ontwikkelt waarbij je kunt zeggen dat alles wat in je geest opkomt, oké is.’ En: ‘We moeten onszelf trainen om in het moment te zijn, en in harmonie te zijn met wat er is. Als we dat doen, valt alles op zijn plaats. Op die manier sluiten we vrede met onszelf.’

Alles wat ik hier doe of denk, is dus goed. Mooi. Dat lijstje met de sterke kanten van mijn persoonlijkheid, dat hoeft dus al niet eens meer. Laat die meditatie maar komen, dan sluit ik vrede met mij. In stilte loop ik de trap op naar de meditatiezolder.

Valt in slaap vallen ook onder jezelf aandacht geven? Tijdens de meditatie blijf ik met moeite wakker. Ondanks het harde houten krukje en de optimistische tekst die Carmen Tulkens, de hoofdgastvrouw van het huis, voorleest, val ik om van de slaap.

Later, tijdens de lunch, verzekert Carmen me dat dat normaal is. De meeste gasten die hier voor een week komen, brengen de eerste paar dagen slapend door. „Omdat ze het echt nodig hebben.” Ze kijkt me streng aan: „Dat geldt ook voor jou. Ik ben vijf minuten eerder opgehouden met de meditatie, omdat jij zat te tollen.”

Die hangmat aan de grote kersenboom in de tuin lijkt dus ineens bijzonder goed te passen bij de aandacht die ik mezelf moet geven. Alles wat in je opkomt, is oké. Ik haal gelijk maar even het dekentje van mijn kamer, zodat ik het niet koud krijg als de zon straks achter de bomen verdwijnt.

Drieënhalf uur later word ik langzaam wakker, van gestommel in de tuin. Zal ik vragen of Carmen hulp nodig heeft bij haar werk? Ik lig hier maar wat te niksen. Dat was toch juist oké? Wees in harmonie met jezelf, in deze hangmat. Ik bied het dus maar niet aan. Bovendien mag je niet eens praten. Ik blijf liggen. Maar neem me wel voor de volgende meditatie extra mijn best te doen om met mezelf in contact te treden. Ondanks dat alles hier oké is, wil ik niet te boek staan als het meisje dat bij elke meditatie in slaap viel.

Op de meditatiezolder probeer ik een oefening uit Onze geest. Tijdens het mediteren helpt het om een steunpunt te nemen, bijvoorbeeld je adem of een geluid. ‘Ondertussen sluit je je gedachten niet buiten. Onderdruk ze niet. Laat ze komen en gaan. Algauw zul je afdwalen. Zodra je dat merkt, keer je terug met je geest naar je adem.’

Concentreren op de ademhaling. En luisteren naar Carmen, die een tekst heeft uitgezocht over een man met grote problemen. Hij vraagt raad aan een wijze man die zegt dat hij zijn problemen moet accepteren. „Als je je overgeeft aan het feit dat je een probleem hebt, komt de oplossing vanzelf.” Ja, dat klinkt logisch.

Zou het raar zijn als ik ga verzitten? Dat houten krukje zit niet erg makkelijk. Oh ja, ademhaling. En mijn oren suizen – zou dat normaal zijn? Misschien staat mijn autoradio standaard te hard. Terug naar de ademhaling.

De vrouw tegenover me hoor ik verschuiven. Zal ik dat ook doen? Mijn nek begint zeer te doen. Ademhaling. „Accepteren en geen oordeel vellen over jezelf”, vertelt Carmen. Goed, geen oordeel over deze stroom oppervlakkige gedachten. Alles wat in je opkomt, is oké. Het is wel warm hier, bah, mijn knieholten beginnen te zweten. Hoe lang zou de meditatie nog duren? Ademhalen.

Van tevoren had Carmen me al gewaarschuwd: eigenlijk is 24 uur in het huis van stilte te kort om in contact te komen met jezelf. Daar heeft ze gelijk in; als ik na het ontbijt met stoofpeertjes en kwark alweer bijna mijn spullen moet pakken, heb ik helemaal niet het gevoel dat ik stil ben geweest. Maar misschien komt dat ook wel doordat ik steeds in gesprek was, met mijzelf.