Muiter tegen het tijverliest zijn rechten

Straatsburg stelt strengere eisen aan het publieke optreden van politici dan van gewone burgers.

Nu zijn alle onruststokers vogelvrij verklaard.

(Illustratie Sebe Emmelot) Emmelot, Sebe

‘Het is de couscous clan.’ Na de aanslagen van 11 september 2001 verspreidde het extreemrechtse Front National in België een pamflet met deze kop, als woordspeling niet eens ongeestig, bij een heel wat minder geestige tekening van een gesluierde vrouw en een man met tulband en een citaat uit de Koran, waarin het uitmoorden van ongelovigen wordt aanbevolen. Alle moslims zijn terroristen, was de boodschap.

Het is een van de uitingen waarvan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onlangs in meerderheid vaststelde dat ze in België terecht hebben geleid tot een veroordeling door de strafrechter van leider Féret van het Front National. Andere teksten waarschuwden tegen ‘het bruine gevaar’, ‘de islamisering van België’, de nadelen van immigratie voor de autochtone Belgen, enfin, het bekende repertoire. Het programma van het Front vertoont opmerkelijke overeenkomsten met wat hier door de PVV wordt vertolkt. Vandaar dat rechtsgeleerden uit het Straatsburgse arrest opmaken dat het de kans op een veroordeling van Geert Wilders groter maakt.

Als voorstander van de strafbaarheid van racisme, belediging van en haat zaaien tegen bevolkingsgroepen zou ik hier blij mee moeten zijn. Maar nee, ik ben geschokt door een deel van de motivering en ik denk dat ik degenen gelijk moet geven die steeds hebben gezegd dat een eventuele veroordeling van Wilders een bedreiging is voor de vrijheid van meningsuiting.

Het blijft een penibele zaak. Racisme zit volgens mij ergens tussen laster en slavernij in, allebei strafbaar. Op zichzelf is het dus toe te juichen dat het bastion van de mensenrechten in Straatsburg weerstand biedt tegen vreemdelingenhaat en aanzetten tot discriminatie. Het argument dat vervolging de racisten juist in de kaart speelt en tot martelaren maakt, getuigt van een abject soort opportunisme dat het recht ondergeschikt maakt aan de politieke conjunctuur.

Daar heeft het Europees Hof dan ook gelukkig geen boodschap aan. Vier van de zeven rechters zeggen dat het aanwakkeren of rechtvaardigen van etnische en religieuze haat, gebaseerd op intolerantie, ontoelaatbaar is in een democratische, pluralistische samenleving die gebaseerd is op respect voor de gelijkwaardigheid van alle mensen. De drie anderen vinden dat het strafrecht alleen van toepassing is op biologisch racisme. De meerderheid van het Hof oordeelt dat het aanzetten tot uitsluiting en vernedering van vreemdelingen een fundamentele aantasting is van de rechten van de mens. De minderheid vindt dit pas het geval als wordt opgeroepen tot geweld of als de gewraakte uitingen daadwerkelijk leiden tot discriminatie en segregatie. Een potentiële bedreiging van de rechten van anderen is volgens hen geen reden tot veroordeling.

Tot zover overtuigt het arrest mij meer dan de afwijkende mening van de minderheid van de rechters.

Wat is er dan zo bedenkelijk aan? Wel, het Hof gaat verder dan de constatering dat de uitingen van Féret en zijn Front National over moslims, immigranten en vluchtelingen strafbaar zijn wegens racisme of belediging. Het arrest stelt strengere eisen aan het publieke optreden van politici dan van gewone burgers. Politici moeten extra op hun woorden letten, vooral als er verkiezingen zijn. Zij streven naar macht, dus hun woorden kunnen bedreigender zijn. Voorheen gold altijd het omgekeerde (wat onder meer blijkt uit de onschendbaarheid van volksvertegenwoordigers voor wat zij in het parlement zeggen). Hoe kun je een vrij politiek debat voeren als politici extra belemmerd worden hun mening te uiten omdat zij zich tot een electoraat richten? De minderheid van het Hof vraagt zich zelfs af waar verkiezingen dan eigenlijk toe dienen.

Het wordt nog vreemder. Het criminaliseren van vluchtelingen, het wegzetten van immigranten als profiteurs, hoon en spot, zegt het Hof, wekt „onvermijdelijk bij het publiek, en in het bijzonder bij het minst geïnformeerde deel daarvan, gevoelens van verachting, afwijzing en bij sommigen haat tegen vreemdelingen”. Het maakt dus verschil of men zich richt tot een goed of minder ‘geïnformeerd’ deel van het publiek? Dat is inderdaad het einde van de vrijheid van meningsuiting en politiek debat. Alsof bijvoorbeeld Wilders zich niet tot domme mensen zou mogen richten. Terecht zegt de minderheid van de rechters dat bezorgdheid over de ‘niet-verlichte massa’s’ toch echt op het terrein van de weerbare democratie en niet op dat van het strafrecht ligt.

Het meest verontrustend is dat het Hof korte metten maakt met politieke uitspraken, gebaseerd op religieuze, etnische of culturele vooroordelen, „die een gevaar vormen voor de sociale vrede en de politieke stabiliteit in democratische landen”. Men mag wel spreken over problemen met immigratie, echter, politieke partijen mogen dat niet als zij daarmee rassendiscriminatie bevorderen of hun toevlucht nemen tot kwetsen en vernederen, „want dat gedrag dreigt bij het publiek reacties op te roepen die niet stroken met een rustig maatschappelijk klimaat en kunnen het vertrouwen ondermijnen in de democratische instellingen”.

De sociale cohesie zou dus niet door de politiek, maar door het strafrecht moeten worden gewaarborgd. Sociale vrede handhaven… sereen sociaal klimaat beschermen… vertrouwen in de overheid waarborgen… emoties van onwetende kiezers ontzien… Zijn dit verplichtingen van deelnemers aan het publieke debat geworden? Dan bestaat er inderdaad geen vrijheid van meningsuiting meer. Vakbonden, feministen, pacifisten, activisten voor de burgerrechten, hippies, krakers, stakers, muiters tegen het tij – zij zijn allemaal per definitie verstoorders van een ‘rustig sociaal klimaat’ en de ‘stabiliteit’. Nu wordt extreemrechts de maat genomen, maar alle maatschappijcritici of onruststokers, met dezelfde maat gemeten, links of rechts, zijn daarmee ook vogelvrij. Wij raken griezelig ver van huis als Wilders met deze motiveringen wordt veroordeeld.

Elsbeth Etty is columnist en recensent van NRC Handelsblad