Kamerleden zijn geen gewone burgers

Het SP-voorstel om het wachtgeld voor politici te versoberen, ondersteunt de publieke misvatting dat Kamerleden onbekwame, zakkenvullende minkukels zijn, meent Ton de Kok.

Stomverbaasd was ik toen ik las dat Kamerlid Ronald van Raak van de SP vindt dat mijn ex-collega’s en ik met ons wachtgeld aan „je reinste zelfverrijking” hebben gedaan. Expliciet zegt hij: we waren het niet waard.

Het debat over salarissen en wachtgelden van politici is vooral een „waardeoordeel”, zoals de kop boven het desbetreffende artikel luidt (NRC Handelsblad, 8 augustus). Wie De Prooi heeft gelezen herinnert zich dat een van de bankiers van ABM Amro een jaarbonus kreeg toegeschoven van 2 miljoen. De man schoof de cheque terug en zei: ik ben méér waard. Vorig jaar kregen 120 ex-politici met elkaar 4,7 miljoen euro aan wachtgeld.

Wie die getallen vergelijkt komt licht in de verleiding om te denken dat dus zo’n vijftig politici ongeveer evenveel waard zijn als één goed (?) presterende bankier.

Het is jammer dat de tegenstanders in de Kamer van de door Van Raak voorgestelde versobering in relatieve stilte opereren. Ze zouden net als in 1916 op de banken moeten gaan staan en zich verzetten tegen versobering. Versobering op de voorgestelde manier en de discussie daarover is declasserend voor het ambt van parlementariër. De opstelling van Van Raak ondersteunt de heersende publieke misvatting dat Kamerleden onbekwame, zakkenvullende ‘minkukels’ zijn. Quod non!

Het Kamerlidmaatschap is niet te vergelijken met zo maar een ambtenaar of een bankier. Het Kamerlidmaatschap is geen baan, maar een metier. Ik durf te stellen dat maar zeer weinig mensen voor dat metier geschikt zijn. Het afbrandrisico is groot en volstrekt onverzekerbaar. Kamerleden moeten op veel terreinen inzetbaar zijn en beschikken over een groot politiek-sociaal inlevingsvermogen. Zij moeten in staat zijn snel, onder hoge politiek-ideologische druk de ingewikkeldste dossiers in hun vingers te krijgen, ook die dossiers, die buiten hun eigen specialisatie liggen. Bovendien dienen zij permanent in ‘staat van oorlog’ te kunnen leven. Alle slechte eigenschappen van de mens komen in de politieke arena versterkt tot uiting. Dat alles eist inlevings-, incasserings-, en denkvermogen. Veruit de meesten leden van de Kamer voldoen aan het door mij geschetste profiel.

Wat Van Raak cum suis nu doen door die versoberingsdiscussie zo aan te zwengelen, is het negatieve beeld bevestigen dat het Kamerlidmaatschap inderdaad een gewone baan is, dat Kamerleden gewone burgers zijn, dat Kamerleden dus maar matig getalenteerd zijn. Daar mag volgens Van Raak dan ook alleen maar een matige schadeloosstelling en een matig wachtgeld tegenover staan.

Ik erger mij vaak aan de manier waarop aan de stamtafels in ons land op politici kritiek wordt uitgeoefend, vooral door mensen die voor slechts een paar procent zicht hebben op de complexiteit van de problemen waar politici mee worstelen. Natuurlijk is er op Kamerleden gefundeerde kritiek mogelijk. Er dient echter bedacht te worden dat ons verstarde politieke systeem de bekritiseerde grijskleuring van de volksvertegenwoordiger in de hand werkt.

Ik heb in de CDA-fractie ons functioneren weleens vergeleken met het democratisch centralisme zoals dat in Oost-Europa bestond. Nu, we weten wat dat ‘centralisme’ daar heeft opgeleverd. Ondanks de revolte van Pim Fortuyn zijn de meeste Kamerleden nog steeds volledig in de greep van hun partijtop. Die bepaalt hun plaats op de volgende kandidatenlijst, niet de kiezer. Wie zijn politieke leven wil behouden, richt zich daarop. Publiekelijk geuite afwijkende meningen of afwijkend stemgedrag zijn nog steeds dodelijk.

Voor veel potentiële talentvolle Kamerkandidaten is die afhankelijkheid van de fractie- en partijtop al een eerste te overwinnen weerstand. Zelfstandige getalenteerde karakters hebben daar in de Kamer moeite mee. Als daarnaast ook nog de secundaire arbeidsomstandigheden worden versoberd, hebben politiek belangstellende talenten een dubbel ‘slikmoment’. Zij moeten hun intellectuele autonomie voor een deel bij de fractie- en partijleiding inleveren en als zij van de een op de andere dag hun zetel kunnen verliezen vanwege slechte verkiezingen of eigenzinnig politiek optreden, is ook de wachtgeldregeling niet bijzonder.

Wie nu een vergelijkbaar redelijke baan heeft, heeft tegenwoordig secundaire voorzieningen die niet onder doen voor die in de Kamer. Waarom dan nog het Kamerlidmaatschap ambiëren? Idealisme?

Natuurlijk, ex-Kamerleden moeten weer gaan werken. Maar hen dwingen te solliciteren is een motie van wantrouwen binnen eigen gelederen. Kamerleden zijn mensen met verantwoordelijkheidsgevoel die zich bewust zijn welke voorbeeldfunctie zij hebben gehad. Wie dat niet beseft en niet solliciteert behoort inderdaad tot die – weinige – minkukels in het parlement.

Maar dan nog. Solliciteren is voor Kamerleden die lang in het parlement hebben gefunctioneerd geen sinecure. De decennialange negatieve beeldvorming over hen is de eerste hindernis. Daarnaast zijn ex-Kamerleden generalisten die van veel zaken iets afweten maar van weinig zaken veel. Slechts weinig Kamerleden liggen in de buitenwereld goed. Dat zijn een handvol fiscalisten, juristen of economen met een bepaalde specialisatie. Maar zelfs die voelen bij sollicitaties de nadelen van een jarenlang Kamerlidmaatschap. Ze zijn niet zelden in de ogen van de buitenwereld te lang uit het vak om nog op gelijkwaardig niveau in een onderneming te kunnen worden ingepast.

Dr. Ton de Kok was van 1983 tot 1994 lid van de Tweede Kamerfractie van het CDA. Thans is hij docent godsdienst/levensbeschouwing op het Fons Vitae lyceum en het St. Ignatiusgymnasium in Amsterdam.