Gelukkig hoor ik bij de goede groep

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: hoe definiëren wij onszelf?

Aflevering 7: de mens als groepsdier.

(Foto Paulien Oltheten) Oltheten, Paulien Oltheten, Paulien

Het is 9 juni 2008. Het Nederlands elftal heeft zojuist met 3-0 van regerend wereldkampioen Italië gewonnen. Zowel in Zwitserland als in eigen land heerst euforie. Tienduizenden in het oranje uitgedoste supporters verzamelen zich op straat, op pleinen en in kroegen. Op televisie constateert Jack van Gelder uitgelaten hoe mooi het is dat sport „zo verbroedert”. Eventjes is heel Nederland trots op ‘onze jongens’ én op zichzelf.

Sport maakt, net als oorlog en religie, duidelijk dat mensen naast individuen ook groepswezens zijn. Je zou ook kunnen spreken van groepsdieren, menselijk kuddegedrag vertoont soms immers treffende gelijkenis met het dierenrijk. Maar er zijn ook verschillen: anders dan de meeste dieren verenigen mensen zich niet alleen om hun overlevingskans te vergroten, maar ook om een persoonlijke identiteit te creëren. Vereenzelviging met gelijksoortige of gelijkgestemde mensen bepaalt namelijk voor een groot deel wie we zijn – en hoe we over onszelf denken.

De vraag is hoe een dergelijke ‘sociale identiteit’ tot stand komt. Duidelijk is dat de vorming ervan op zowel micro- als macroniveau plaatsvindt. In het klein verenigen we ons in families, vriendenkringen, sportclubs, kerken, vakbonden, fanclubs, studentenclubs en zelfs virtuele werelden. En op een abstracter niveau vereenzelvigen we ons met een heel land, continent, ras, geslacht, ideologie of godsdienst.

Uit deze enorme verscheidenheid aan groepen valt op te maken dat bijna alle redenen aanleiding voor groepsvorming kunnen zijn: een gemeenschappelijke huidskleur, afkomst of traditie; een gedeelde overtuiging, smaak of interesse; dezelfde problemen, belangen of angsten; een overeenkomstige seksuele geaardheid, leeftijd of handicap – en ga zo maar door. Onder deze noemers verbinden we ons met anderen én definiëren we vervolgens onszelf: als Nederlander of Marokkaan, als Ajaxied of Feyenoorder, als jongere of oudere, als arbeider of ondernemer, als elite of gewone man. Oftewel: bij wie ik hoor, is wie ik ben.

De Brits-Poolse socioloog Henri Tajfel (1919-1982) heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de totstandkoming van dit soort groepsidentiteiten. Hij concludeerde dat er achter alle groepen, ondanks hun verscheidenheid, wel degelijk een basismotief schuilt, namelijk de ontwikkeling van een „positief en onderscheidend zelfbeeld”. Dat wil zeggen dat groepsvorming dus grotendeels egocentrisch van aard is. Mensen associëren zich met gelijksoortige anderen om positieve bevestiging te krijgen van zichzelf. En die bevestiging, zegt Tajfel, wordt op twee manieren bewerkstelligd: door enerzijds de eigenschappen van de eigen groep te prijzen en anderzijds de eigenschappen van een andere groep af te keuren.

Vooral dat laatste blijkt essentieel. Een sociale identiteit wordt, zo ontdekte Tajfel, sterk bepaald door een – werkelijk of vermeend – contrast met anderen. Hoe groter het verschil tussen de eigen groep en een andere groep is, des te sterker de onderlinge verbondenheid wordt. Anders gezegd, groepsgevoel wordt met name aangewakkerd door een vijandbeeld – de perceptie dat je hoort bij de ‘goede’ groep in plaats van bij de ‘verkeerde’ groep mensen. Daarom is sport ook het middel bij uitstek voor verbroedering: sport gaat altijd gepaard met het hebben van een tegenstander, een team en supportersschare van wie men zich wil onderscheiden.

Dit fenomeen beperkt zich niet tot de sport. Voor bijna alle groepen geldt doorgaans dat hoe sterker het vijandbeeld is, des te sterker ook de gezamenlijke identiteit is. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) stelde daarom dat solidariteit eigenlijk „een vorm van etnocentrisme” is – een ‘wij’ bestaat bij de gratie van een ‘zij’. Zo heeft, met name in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika, de zwarte gemeenschap een sterk ‘wij’-gevoel ontwikkeld door de vijandschap met de blanken ten tijde van de slavernij, zoals de allochtone gemeenschap in Nederland zichzelf tegenwoordig ook steeds meer definieert in termen van oorspronkelijke afkomst, naarmate de gevoelde vijandigheid vanuit de autochtone gemeenschap toeneemt. Andersom geldt trouwens hetzelfde: wij voelen ons meer ‘westers’ wanneer het contrast met ‘niet-westers’ groter en negatiever wordt.

Vijandschap lijkt dan ook met name een vruchtbare bodem voor nationalisme. In alle landen met een sterke nationale identiteit is sprake van een duidelijke (historische) vijand: Israël versus de Palestijnen, Iran versus Israël, Noord-Korea versus Zuid-Korea, Catalonië versus Spanje. Amerika is hierin overigens een categorie apart: al zolang het land bestaat, zijn er vijandschappen – en dus is er ook een zeer sterke nationale identiteit. Het land is immers voortgekomen uit een strijd tegen de inheemse Indianen en sindsdien is er altijd een nieuwe vijand ten tonele verschenen. In de 19e eeuw waren het de Britten en Chinezen, in de twintigste eeuw waren het de Russen en de Duitsers en nu zijn het de Arabieren en, wederom, de Chinezen.

Volgens de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky (1928) is de belangrijkste reden dat veel Amerikanen, ook al zijn ze van oorsprong allemaal immigranten, zich zo snel Amerikaan voelen dan ook niet zozeer gelegen in alle nationale symboliek (vlag, hymne, Vrijheidsbeeld), maar eerder in „de gedeelde angst om vernietigd te worden door een externe bedreiging”. Die angst zie je duidelijk terug in de populaire cultuur. De bekendste strips, romans en Hollywoodfilms draaien steevast om hetzelfde thema: er is een vijand (op hol geslagen robots, buitenaardse wezens, communisten, terroristen, maffiabazen) die erop uit is Amerika te vernietigen. Gelukkig zijn er ook altijd helden die het land van de ondergang redden, helden die stuk voor stuk uitgroeiden tot nationale iconen, zoals Superman, Batman, Spiderman en The Terminator. Hoewel niet Amerikaans maar Brits, valt ook James Bond in deze categorie: de spion die het opneemt tegen allerhande vijanden van ‘het Westen’. Dit soort narratieven, zegt Chomsky, helpt bij het „creëren van mythes die onderlinge solidariteit en een gezamenlijke identiteit bevorderen.”

In Nederland hebben we lange tijd ook dergelijke verhalen over ‘wij’ en ‘zij’ gehad, met name over de Tweede Wereldoorlog tegen de Duitsers. Maar sinds enkele decennia, zeker na de val van de Muur in 1989, is die vijandelijkheid weggeëbd en is ons nationale bewustzijn ook navenant minder sterk geworden. Dat is grotendeels te herleiden tot de Europese eenwording, die op het gebied van vrede en veiligheid zeer succesvol is geweest: in West-Europa is al zeker zestig jaar geen oorlog meer gevoerd.

Ironisch genoeg wreekt die vrede zich nu als het gaat om verdere Europese eenwording. Bij gebrek aan vijanden is immers ook de gevoelde Europese identiteit zwak. Sterker nog, Brussel zelf wordt in veel landen nu juist als vijand gezien, die de autonomie van haar lidstaten probeert af te pakken – hetgeen juist sentimenten van nationalisme aanwakkert. Ook hier wordt het vaste recept van sociale identiteitsvorming zoals beschreven door Tajfel doorlopen: de eigen groep wordt geprezen (‘trots op Nederland!’) en de ander als een bedreiging afgeschilderd (‘superstaat Europa’).

Voor de jongere generaties van nu geldt overigens dat ze opvallend weinig ideologisch gedreven groepsdrang hebben. Vijftig procent van de tieners en twintigers is weliswaar lid van een sportclub of studentenvereniging, maar nog geen procent is lid van een politieke partij of beweging. De theorie van Tajfel volgend zou het ontbreken van duidelijke vijanden daar wel eens een oorzaak van kunnen zijn. De jongeren van nu zijn immers opgegroeid zonder voortdurende bedreigingen, zoals de Koude Oorlog in de jaren zestig.

Natuurlijk zijn er wel degelijk bedreigingen die ons nu teisteren, zoals terrorisme en de energie-, klimaat- en kredietcrisis. Maar daarvoor geldt in grote lijnen dat de ‘vijand’ niet echt duidelijk is: er zijn moeilijk specifieke verantwoordelijken voor aan te wijzen. Aan de energie- en klimaatcrises is immers bijna iedereen debet, zoals ook de economische crisis grotendeels de ‘schuld’ is van onze consumptiecultuur als geheel. Terrorisme heeft laten zien wel een sterk groepsgevoel te kunnen kweken – getuige de massale bijeenkomsten na de moord op Theo van Gogh en Pim Fortuyn – maar ook die saamhorigheid lijkt eerder incidenteel dan structureel, zoals bij het Nederlands elftal.

De drang om een collectief te vormen is in Nederland dus logischerwijs niet groot, met als opvallende uitzondering: de PVV-jongeren. Zij zien in de islam een structurele bedreiging en verenigen zich. Maar voor de rest van de jeugd geldt eerder een soort collectief individualisme. We willen allemaal vooral ‘onszelf’ zijn. Critici zien in dat gebrek aan collectieve identiteit vaak een gebrek aan sociale cohesie en maatschappelijke betrokkenheid. Maar je zou het ook positiever kunnen zien: wij zijn in ieder geval voor niemand bang.