Een nobel beroep is het niet

Zijn oudste broer is terug naar Libanon, waar nog hun moeder woont. Met zijn middelste broer runt Mohsen Chour nu in Ivoorkust het familiebedrijf. „Mijn zoon raad ik het af.”

Mohsen Chour, fabrikant van plastic zakken, was veertien toen hij door zijn ouders van school in Libanon werd geplukt en op een vliegtuig naar Ivoorkust werd gezet. Zo wilden ze voorkomen dat hun zoon zich zou aansluiten bij een van de milities in de Libanese burgeroorlog die dat jaar zijn vijfde jaar inging. Mohsen, hadden zijn ouders bedacht, moest gaan helpen in de kruidenierswinkel die zijn oudste broer in Abidjan had geopend. De moed zonk hem in de schoenen toen hij in Ivoorkust landde, zegt hij lachend. „Ik vond dat het er maar armoedig uitzag. Ik dacht dat ik in een relatief modern land terecht zou komen, maar het was veel minder ontwikkeld dan Libanon, terwijl daar een oorlog aan de gang was.”

Een opgeruimd glazen bureaublad. Een asbak met een pakje Marlboro Light ernaast. De airconditioner op ijskoud. Het kantoor van Mohsen Chour (42) is wat je noemt typisch Libanees. Maar Chour praat minder hard, minder snel en minder uitgesproken dan de meeste Libanezen in Ivoorkust, die bekend staan om hun sluwe handelsgeest en lichtelijk superieure houding tegenover zwarte Afrikanen.

Ivoorkust kent de grootste Libanese gemeenschap van West-Afrika (50.000), en de meesten van hen zijn op de een of andere manier betrokken bij een familiebedrijf. De Franse kolonie die later Ivoorkust zou gaan heten trok van het begin af aan arme dorpelingen uit zuidelijk Libanon aan. Voor ongeschoolde migranten was Afrika interessanter dan Amerika: je hoefde niet te kunnen lezen of schrijven om in Ivoorkust aan de slag te gaan. De Israëlische bezetting van Zuid-Libanon in 1982 veroorzaakte een nieuwe immigratiegolf.

De bebrilde Libanees, zijn norse vrouw en hun timide zoon die een benauwde buurtsuper in een sjieke woonwijk runnen. De vlotte autodealers die tweedehandsauto’s uit Europa voor nieuw proberen te slijten. De miljonairsfamilie die een imperium heeft opgebouwd met megasupermarkten waar ganzenlever en Hollandse komijnekaas in de schappen liggen. De broers bij wie je tot diep in de nacht terecht kunt om een broodje shoarma te halen. Groothandelaren, cacao-inkopers, koelkastimporteurs: de Libanezen in Ivoorkust pakken alles aan en zitten overal in, zolang het maar geld oplevert. Want dat is wat de Ivorianen met een mengeling van jaloezie en minachting over de Libanezen zeggen: hun leven draait om geld verdienen.

Chour maakte zijn middelbare school af en stond in het weekend achter de toonbank van zijn broer tot die genoeg geld opzij had gezet om in plastic te gaan. De broer sprong handig in op het geleidelijk veranderende consumptiepatroon van de Ivorianen door een van ’s lands eerste fabriekjes voor plastic zakken en tassen te bouwen. Dertig jaar geleden gaf de kruidenier de boodschappen oningepakt mee. Tegenwoordig is het gebruik van tasjes zo ingesleten dat iedere fles melk en elk pak suiker in zwart plastic verdwijnen, of de klant dat nu wil of niet. Niemand kan dan zien wat je hebt gekocht. Dat is wel zo discreet.

Het is die plasticfabriek die vandaag de dag Chours leven beheerst. De werkplaats en de structuur van het bedrijf hebben de nodige gedaantewisselingen ondergaan, maar de kern is sinds de oprichting hetzelfde gebleven: plastic zakken, plastic tassen, plastic verpakkingen. Chour maakt transparante zakjes voor pindaverkoopsters en met roze wolken bedrukte verpakkingen voor de fabriek in wc-papier naast de deur. Hij levert felblauwe zakken die kilo’s kunnen sjouwen en plastic tassen met een handvat voor de beste wijnwinkel in de stad. Tweehonderd arbeiders heeft hij in dienst, zegt hij, terwijl hij met rinkelende sleutels naar zijn Mercedes loopt om een rondleiding te geven in het tweede bedrijf waarin de broers hebben geïnvesteerd. Onder de zoete rookpluimen van een aanpalende cacaoverwerkingsfabriek worden daar zwarte plastic laarzen en goedkope damesschoenen geproduceerd, het merendeel voor export naar de buurlanden Mali, Burkina Faso en Guinee.

Chour runt de fabriek met zijn middelste broer die vier jaar ouder is en met zijn gezin op een kilometer afstand woont van de villa die Chour deelt met zijn Libanese vrouw. Met hem is het twee handen op één buik, zegt Chour. „We kunnen overal over praten. Nee, dat is niet per se typisch Libanees. Ik ken broers die elkaar niet meer aankijken omdat ze ruzie hebben gehad over hun bedrijf. Het hangt er maar net van af hoe goed je met elkaar overweg kunt.” De oudste broer is definitief teruggekeerd naar Libanon, naar het dorp waar hun moeder woont, maar Chour en zijn middelste broer zijn nog niet toe aan hun pensioen. Het kantoor wordt uitgebreid en verhoogd tot een gebouw van drie etages. De zaken gaan goed: vorig jaar haalden ze een omzet van 5,5 miljoen euro. Ach, plastic zakken zijn maar plastic zakken, zegt Chour verontschuldigend. Een nobel beroep heeft hij bepaald niet. Als hij een keuze had gehad, was hij iets anders geworden. Arts, bijvoorbeeld. „Mensen bijstaan die hulp nodig hebben, dat had ik eigenlijk veel liever gedaan. Je wordt er misschien niet rijk van, maar je kunt er goed van leven.”

Misschien twijfelt Chour daarom als hij nadenkt over de toekomst van het familiebedrijf. Wat hem betreft hoeft zijn zoon de fabriek niet over te nemen. „Hij mag zelf kiezen maar als hij mijn mening vraagt, zal ik het hem afraden. Ik heb liever dat hij arts wordt, of advocaat. Een goede manager kunnen we altijd vinden, er zijn genoeg capabele mensen in Ivoorkust.” Zijn zoon, vertelt hij, doet erg zijn best op de middelbare school. Welke school? Gut. Dat is hem even ontschoten. Hij belt meteen zijn vrouw. „Zeg, hoe heet die school ook alweer? O ja. Da’s waar ook.” Hij legt de telefoon neer en tikt spottend tegen zijn slaap. „Ik begin vergeetachtig te worden. We hebben ook zoveel gedoe aan ons hoofd. Veel mensen zien een goedlopend bedrijf en zouden graag in mijn schoenen staan, maar ze kijken alleen naar de buitenkant. De concurrentie is moordend want er zijn inmiddels dertig plasticfabrieken in Ivoorkust. Soms hebben we ineens een maand met weinig opdrachten. Toch moet iedereen op tijd betaald worden: het elektriciteitsbedrijf, de werknemers, de leveranciers. Er zijn dagen dat ik van hot naar haar ren om geld bijeen te schrapen. Het put je volledig uit.”

Werk is zijn leven geworden, zegt hij met een zure grijns. „Nou ja, daar zijn we tenslotte voor gekomen. En heel veel andere dingen kun je hier niet doen.”

Veel Libanezen staan met één been in Afrika en één been in Libanon. Ze zijn te blank om geaccepteerd te worden als echte Afrikanen, zelfs degenen die in Ivoorkust zijn geboren en beter Frans-Ivoriaans dan Arabisch spreken. Vaak hebben ze dat ook aan zichzelf te wijten: de meeste Libanezen voelen zich ver verheven boven die luie en onberekenbare zwarten die heus heel aardig zijn maar niet te vertrouwen als het aankomt op zakendoen. Chour lijkt een uitzondering op de regel. Hij laat zich niet verleiden tot waardeoordelen over ‘de Ivoriaanse mentaliteit’ waar zoveel andere Libanezen graag op vertrouwelijke toon met Europeanen over praten. Het belangrijkste wat hij heeft geleerd, zegt hij nadrukkelijk, is dat je nooit moet generaliseren. „Je hebt Ivorianen die moslim zijn en Ivorianen die christelijk zijn, je hebt Ivorianen die hard werken en Ivorianen die de hele dag in het café zitten. Er zijn hier net zoveel verschillen als in Libanon. Daar zie je vrouwen die in bikini op het strand liggen en vrouwen die van top tot teen gesluierd zijn.” Het is dan ook de vraag of hij zich ooit opnieuw zal vestigen in Libanon. „Mijn vader is overleden en mijn moeder heeft mijn oudste broer in de buurt, dus die heeft mij niet nodig. Iedere keer als ik op vakantie ben in Libanon besef ik dat ik anders in het leven sta dan degenen die hun hele leven in mijn dorp zijn blijven wonen. Ik sta meer open voor mensen van een andere cultuur of een andere religie. Ik ben niet ontworteld, maar ik ben definitief veranderd. Hier voel ik mij thuis.”

Zie voor de vorige afleveringen van deze zomerserie nrc.nl/familiebdrijf