Echt dag

Je zit aan de telefoon. Je vindt dat het gesprek nu toch echt wel klaar is, je oor is warm. Dus je zegt met opgeruimde stem: „Nou.”

De ander begint een nieuw onderwerp. Je zegt: „Hee, maarre…” De ander krijgt iets door, en zegt snel: „Ja, we moeten maar weer eens aan de slag.”

„Ja. Hee, dus, nou ja, dan tot volgende week!”

„O ja, daar wilde ik nog wat over vragen…” En je zit weer tien minuten vast.

Omdat je aan de telefoon elkaars gezichtsuitdrukking niet kunt zien, kan de ander ook niet oppikken dat je ogen inmiddels ver in je oogkassen zijn weggedraaid, dat je tong uit je mond hangt en je met je hand een ronddraaiend gebaar maakt, alsof je daarmee de ander aan kunt zwengelen.

„Oké, maar ik moet nu echt… ja, dag!… dag!… ja… dag!… DAG!”

Elke keer dat je ‘dag’ zegt, zeg je het ietsje hoger en harder. Pas als het ‘dag’ een vrij hysterische frequentie heeft gekregen, valt het kwartje en volgt eindelijk het finale dag.

Waarom is het vaak zo moeilijk om een gesprek te beëindigen? Waarschijnlijk omdat het op een of ander basaal niveau iets te maken heeft met de ander afwijzen. En dat doen mensen liever niet op een al te opvallende manier (Ik ken iemand die uit wanhoop een keer in de hoorn is gaan roepen: „Houd uw mond! Houd uw mond!” – maar dat is een uitzondering).

„Ik ga nu een tunnel in”, is een geaccepteerde leugen om een gesprek af te breken, maar ook dat kan soms te veel opvallen.

Alleen verliefde mensen willen alletwee dat het gesprek zo lang mogelijk duurt. Veelvuldig hoorbaar in het openbaar vervoer: „Oké, dag! Dag! Oké, nu echt dag! (…) Nee, hahaha, ik was juist aan het wachten tot jíj ophing! Oké nu écht echt dag. Dag. Dag! Kusje. Dag!”

Waarna het sms’en kan beginnen.

Paulien Cornelisse