Burger moet naast boer kunnen wonen

Op het platteland staan naar schatting vijfduizend woningen die onverkoopbaar zijn. Tweede Kamerlid Ruud van Heugten (CDA) wil dit probleem oplossen door de ‘plattelandswoning’ te introduceren.

Vandaag presenteerde hij hiervoor een wetsontwerp op het gemeentehuis van het Brabantse Sint-Oedenrode. Raadslid Jan Verhagen heeft het probleem geïnventariseerd. „Als een boer zijn stallen verkoopt maar niet zijn huis, wordt vaak gedoogd dat hij daarin blijft wonen. Maar als hij overlijdt, of naar een tehuis gaat, is zijn huis onverkoopbaar.”

Dat komt omdat het huis de status ‘agrarische bedrijfswoning’ behoudt. Een „burger” mag niet in een dergelijke woning wonen omdat dit, volgens bijvoorbeeld de rechtbank bij een zaak in 2006, „verboden gebruik van het bouwwerk” oplevert.

Dan dreigt sloop of leegstand. Verhagen: „Dat is een financiële strop voor de eigenaar. Bovendien zijn het vaak monumentale gebouwen waarvan het zonde is dat ze leegstaan of gesloopt worden.”

Door dit soort woningen de status van plattelandswoning te geven, kunnen burgers ze kopen. Om te voorkomen dat zij vervolgens zo veel milieueisen stellen dat het boerenbedrijf dat op hetzelfde erf wordt uitgeoefend, in de problemen komt met vergunningen, moet zo’n woning een aparte status in de milieuwetgeving krijgen. De bewoner van een plattelandswoning moet dan volgens Verhagen „de lusten en de lasten van het boerenbedrijf dragen”.