Baltische landen op de goede weg

Terwijl het grootste deel van de wereld op de Keynesiaanse toer is, hebben Litouwen, Letland en Estland de economische lijn van Neville Chamberlain omarmd, de Britse minister van Financiën tijdens de Grote Depressie, door flink in de overheidsuitgaven te snijden. Dat is nu een harde kuur, maar zorgt er wellicht voor dat de economie weer eerder gezond wordt dan door het toepassen van het zachtere alternatief.

De drie Baltische staten kampen met de ergste recessies van de hele wereld, waardoor het bruto binnenlands product naar verwachting met 13 tot 17 procent zal dalen. Dat is niet helemaal hun eigen schuld. De toetreding tot de Europese Unie in 2004 werd gevolgd door een vloedgolf buitenlandse beleggingen, waardoor de lonen omhoog gingen. Omdat de munten aan de euro vastgeklonken zaten, leenden de burgers in goedkope euro’s, schijnbaar zonder enig wisselkoersrisico.

Dubbelcijferige tekorten op de betalingbalansen waren het gevolg. Toen de buitenlandse financiering verdween, was een recessie onvermijdelijk. Maar geen van deze landen heeft gekozen voor de makkelijke weg van de devaluatie van de munt om te export een steuntje in de rug te geven. Alle drie zijn stevig gaan bezuinigen.

Weliswaar heeft Letland deels een Keynesiaanse aanpak gevolgd door met leningen gefinancierde overheidsuitgaven te gebruiken om de vraag aan te jagen. De regering in Riga heeft kredietfaciliteiten geregeld van 7,5 miljard euro – meer dan 30 procent van het bbp – en haar begrotingstekort van 11 procent van het bbp over 2009 is aanmerkelijk groter dan dat van de buurlanden. Niettemin is soberheid het sleutelwoord; de ambtenarensalarissen in Letland zijn met 30 procent verlaagd.

In Litouwen en Estland was het beleidsantwoord op de recessie uitgesproken pre-Keynesiaans. Geen van beide landen heeft geleend van internationale instellingen, hoewel Litouwen dat alsnog zou kunnen gaan doen. Estland heeft de overheidsuitgaven met 7 procent van het bbp gekortwiekt en Litouwen heeft de meeste ambtenarensalarissen met 10 procent omlaag gebracht.

De reactie van de Baltische landen op de recessie lijkt op het beleid van Chamberlain tijdens de Grote Depressie. Hij wees de adviezen van Keynes af en bezuinigde in 1931 en 1932 scherp op de overheidsuitgaven, inclusief een verlaging van 10 procent van de ambtenarensalarissen, met als argument dat de zekerheid van een overheidsbaan meer waard was tijdens een recessie. Hierdoor werd geld vrijgemaakt voor de particuliere sector, de rente zonder inflatie verlaagd en een snel herstel op gang gebracht. De hoogste economische groei in vijf jaar in Groot-Brittannië werd tussen 1932 en 1937 verwezenlijkt.

Bijna de hele wereld experimenteert nu met Keynesiaans beleid, wat zich uit in enorme publieke werken en grote overheidstekorten. Maar dit kan leiden tot uitholling van de investeringen van de particuliere sector en een slechte distributie van kapitaal. Daardoor kan de traagheid van de economie kunstmatig worden verlengd, net als in de VS tijdens de Grote Depressie en in het Japan van de jaren negentig.

De Baltische staten vormen de uitzondering. Hun politici gruwen waarschijnlijk van Chamberlain, omdat hij deze landen in de Tweede Wereldoorlog in de steek heeft gelaten. Maar het volgen van zijn economische beleid zou wel eens een snel en stevig economisch herstel kunnen opleveren.

Martin Hutchinson