Zodat die jongens lekker rondjes kunnen rijden

Naast volwassenen crossen ook kinderen op een quad door de Rotterdamse haven. Elke zondag komen de liefhebbers bijeen om te racen. „Als je kind leert fietsen, ben je ook bang.”

De tip kreeg Arie Dijkhuizen (52), bijgenaamd Lobo, van een klant, acht jaar geleden inmiddels. ‘Zet die ijscobus van jou nou eens op zondagmiddag op de Maasvlakte.’ Veel fiducie had de Hagenaar, die tot dan toe vooral op braderieën stond, er niet in. Maar oké. Met zijn bus vol ijs en hotdogs toog hij door het verlaten Rotterdamse havengebied, langs kranen, containers en overslagbedrijven, naar een braakliggend terrein kilometers buiten de bebouwde kom. Daar moest volk zijn.

Het bleek een gouden tip: vier- tot vijfhonderd mensen staan hier op goeie dagen, het hele jaar door. Met quads, crossmotoren, raceauto’s, fourwheeldrives, terreinwagens, en brommers van het befaamde merk Puch. Vroeger werden er dragraces gehouden, door Antillianen; kinderen leren hier crossen. En de Coca-Cola-vlag van Dijkhuizens bus is nog altijd de enige. Dijkhuizen, een gebruinde man met gouden oorbel, lang grijs haar, en een wit, half open overhemd dat over zijn bermuda steekt: „Er mag hier verder niemand komen.”

Crossen zonder vergunning of lidmaatschap. Steeds vaker worden zulke terreinen in Nederland gesloten. Dijkhuizen: „De buren hebben er last van, zegt de gemeente dan.” Hier op de Maasvlakte wordt het crossen echter al vijftien jaar gedoogd.

Al is het terrein door de uitbreiding van het havengebied wel al tweemaal verplaatst, is het rondje ingekort en zijn er afspraken gemaakt met de havenpolitie. Dijkhuizen: „Tot vijf jaar terug kwam hier bijna wekelijks de traumahelikopter langs. Toen hebben we gezegd: één rijrichting, niet meer op de openbare weg en de kinderen op een aparte baan. Dat werkt goed. Ja, een paar wilden heb er je altijd bij. Maar dat heb je overal. Bovendien: zou ik daar wat van zeggen dan is het: joh, pleurt op, waar bemoei je je eigen mee?”

Het is vakantietijd. De parkeervakken grenzend aan de asfaltbaan staan merendeels leeg, op enkele verlaten Poolse vrachtwagens en drie raceclubjes met aanhangwagens, quads en crossmotoren na.

Marco ’t Hart (37) is van de vriendenclub uit het Rotterdamse havendorp Pernis. Mannen, vrouwen, kinderen; vijftien in totaal. Blootsvoets houdt hij zijn zoontje van vier, racend op een quad, in het oog; zijn armen in zijn zij. Of hij niet bang is dat het misgaat? „Tuurlijk ben je bang. Maar als je kind leert fietsen zonder zijwieltjes ben je ook bang.”

Al tien jaar komt de vriendengroep hier elke zondag. „Voor de gezelligheid, zodat die jongens lekker rondjes kunnen rijden.” Zelf begonnen ’t Hart, Leen Beijer (39) en Mario Beye (40) rond hun vijfde jaar met crossen, in Pernis. Nu staan ze er vooral om hun kinderen in de gaten te houden. ’t Hart: „Als die jongens op zaterdag weten dat ze de volgende dag weer mogen rijden, kunnen ze er de hele nacht niet van slapen. Pure adrenaline.”

Natuurlijk kun je naar een vereniging, zegt hij. „Maar dan moet je lid worden en een racemotor à 3.000 euro per jaar aanschaffen. Onze mannen rijden op een Puch Maxi.” Beijer: „Die koop je voor 50 tot 100 euro op Marktplaats. Gemaakt worden ze niet meer, maar die dingen zijn niet kapot te krijgen.” ’t Hart: „En je betaalt een maandelijkse contributie van minimaal 2,50 euro aan de broodjeskar, die daarmee zo nu en dan de gaten in het wegdek kan dichttrekken.” Beijer, turend over de racebaan: „Oei, daar valt er een.”

Niet veel later staat Leen Beijer met een kapotte voorlamp in zijn handen, de jongens om hem heen. Beijer: „Diana, staat daar achterin de Mercedes nog dat EHBO-kistje?”

Volgens Ricardo (15), die achterom keek, gaf Damien Bram een tikje en páts, daar lag hij. „Een héél klein tikje maar hoor.” De verwondingen blijken mee te vallen. Repareren doen ze straks samen met vader.

„Vroeger hadden we in Pernis een eigen crossbaan”, zegt Mario Beye, die in het dagelijks leven tatoeëerder van beroep is. „De wijkraad vond het goed, maar het bedrijventerrein, dat verantwoordelijk was, wilde het niet meer hebben. In plaats daarvan staat er nu een jongerencentrum dat de gemeente 160.000 euro per jaar kost. Het staat daar letterlijk en figuurlijk zwart van de mensen. Voor ons is er niets. Ze hadden ons gewoon moeten laten crossen.”

Achterin het busje laat Beyes vriendin Helen Ruijtenbeek (45), die van haar schouder tot onder haar paarse legging is bedekt met tatoeages, een paar foto’s zien op haar telefoon.

„Kijk, dat ben ik. Strak hè, dat lijf. Tien jaar geleden had ik nog baarmoederhalskanker. Moest ik nog kruipen voor een koppie thee. Totdat ik via m’n vriendin, Miss Fitness, in de bodybuilding ben beland en derde van Nederland ben geworden. Ja, met anabolen hoor. Ik dacht na die ziekte: kan mij het verrotten.”

Het is vijf uur. Voordat het gezelschap uit Pernis straks gaat barbecuen, haalt Marco ’t Hart nog gauw een broodje warm vlees met mayo. Wat een motorcrosser eet? „Beenham is de hoofdzaak”, zegt uitbater Arie Dijkhuizen vanuit zijn busje. „Beenham en ballen.”