Poetin, laat die spierballen maar rollen

Lichaamstaal is een essentieel onderdeel van de politiek.

En aandacht voor het lichaam betekent dus niet dat het niet om de inhoud gaat.

Illustratie Hajo Hajo

Weinig hedendaagse politieke leiders zetten hun lichaam zo in voor symbolische doeleinden als de Russische premier Poetin. Al enkele zomers wordt de pers vergast op vakantiefoto’s waarop hij verschijnt als stoere buitenman. In 2007 toonde hij een geheel ontbloot bovenlijf; met alleen hoed, zonnebril en kakibroek stond hij aan de oever van een Siberisch meer te vissen. Het beeld leidde tot speculaties dat Poetin de liefde van de kiezers wilde winnen en zich misschien toch voor een (ongrondwettige) derde termijn als president verkiesbaar zou willen stellen. In de aanwezigheid van Albert II van Monaco bij het vissen en paardrijden zagen Russische homowebsites zelfs een verwijzing naar de film Brokeback Mountain, over twee cowboys die in de vrije natuur de liefde beleven.

Voor de fotoshoot van deze zomer koos Poetin, premier nu, opnieuw de gespierde torso. Hij doet alsof hij zwemt ditmaal, in hetzelfde Siberische meer. Op de vorige week woensdag verspreide foto komen hoofd, borst en beide gestrekte armen uit het water omhoog. De vlinderslag dus. Zwemtechnisch gezien is het een verstandige keuze. Uit een Poetin in borstcrawl of rugslag kun je geen imponerende foto’s halen, om maar te zwijgen van het desastreuze publicitaire effect van de leider in schoolslag. Nee, de vlinderslag, daar gaat dreiging vanuit, het water spat goed op, de blik blijft voorwaarts gericht.

De Franse president Sarkozy liet zich tot voor kort graag joggend filmen. Deze activiteit straalt niet specifiek leiderschap uit, want iedereen kan gymschoenen aantrekken, maar wel dynamiek en energie. Al hardlopend brak de president met de statigheid van zijn voorgangers Chirac en Mitterrand. Het joggen (waar Jimmy Carter eind jaren zeventig in het Witte Huis mee begon) paste bij zijn bewondering voor de Amerika en bij de boodschap dat hij Frankrijk persoonlijk in beweging en aan het werk zou krijgen.

Maar twee weken geleden stortte Sarkozy tijdens het hardlopen ineen: hij moest met een malaise in het ziekenhuis worden opgenomen. Het was in Frankrijk voorpaginanieuws. Was hij buiten bewustzijn geweest? De officiële verklaringen spraken elkaar tegen. Hoe dan ook komt zo een einde aan het imago van de hyperactieve en alomtegenwoordige president. De echte dokters hadden hem snel opgelapt; binnen een dag was Sarkozy thuis. Moeilijker wordt het voor zijn spindoctors om het beeld van het presidentiële lichaam te repareren. De magie is gebroken.

Is deze inzet van het lichaam in de politiek voorbehouden aan landen met presidentiële stelsels en/of met een verlangen naar een sterke man? Dat zou je met de voorbeelden uit Rusland en Frankrijk bijna gaan denken.

Toch zou dat een voorbarige conclusie zijn. Zeker, het kost moeite zich premier Balkenende voor te stellen in vlinderslag in het Sneekermeer. In Noord-Europese consensusdemocratieën worden andere leiderschapskwaliteiten gewaardeerd dan fysiek machismo.

Maar daarmee is het lichaam van de politicus nog niet van het toneel verdwenen. Ook bij ons spraken de stoppels van Lubbers, het kontje van Bos of de lach van Zalm tot de publieke verbeelding. Het is een element waar politici beter mee kunnen spelen dan het weg te wensen. Dat laatste deed Femke Halsema eens: zij vond dat het te veel over haar lange, glanzende haren ging en knipte ze af.

Aandacht voor het lichaam betekent helemaal niet dat politici spreekpoppen zijn of dat het niet om de inhoud zou gaan. Zonder vorm geen inhoud, zonder lijf geen stem. Wie macht wil uitoefenen, moet die belichamen. Dat lichaam mag best in vorm zijn, in de eerste plaats om goed te kunnen spreken.

Daarom schreef de Romeinse retor Quintilianus in zijn beroemde Opleiding tot redenaar, een lesboek voor advocaten en politici uit de eerste eeuw: ‘Verder vind ik het niet nodig hen te berispen die enige tijd hebben vrijgemaakt voor sport.’ Bewegingsleraren konden er namelijk voor zorgen ‘dat onze armen op de juiste manier gestrekt worden, dat onze handen geen onbeschaafde of lompe bewegingen maken, dat onze houding niet lelijk is, dat we weten hoe we onze voeten moeten verplaatsen, en dat hoofd en ogen geen bewegingen maken die niet passen bij de stand van de rest van ons lichaam. Niemand zal toch willen beweren dat dit niets met de voordracht te maken heeft, en dat voordracht geen essentieel onderdeel van de retorica is.’

Dit klassieke advies is door de wereldwijd meest bewonderde politicus van het ogenblik, tevens verdienstelijk amateurbasketballer, ter harte genomen. Barack Obama geldt als de man die het genre van de politieke redevoering nieuw leven inblies. Behalve in de woorden zit het geheim daarvan – wellicht meer dan we vermoeden – in het sprekende lichaam.

Lees bij de Amerikaanse journalist Mark Danner hoe presidentskandidaat Obama op een gewone campagnedag in oktober 2008 een podium beklom: „He seems slender and slight and young, astonishingly young, and you notice first of all, for it is impossible not to, the physical grace; he moves like an athlete much more than a politician, taking pleasure in his body: bursting up onto the stage, the lanky highly stylized movement, shoulders bent slightly concave, gathering everything into those constantly clapping hands, using the hands in their clapping to acknowledge the crowd, his head nodding all the while.” (New York Review of Books, 20 november 2008)

De kracht van Poetin, de energie van Sarkozy, de gratie van Obama – in zulke verschillende vormen van politieke lichaamstaal is de vorm de inhoud.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en columnist van NRC Handelsblad.

Je kunt reageren op nrc.nl/middelaar. (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)