Nee Jort, het volk mág zelfs niet zwijgen

Doen en laten van banken heeft zich getransformeerd tot een publiek belang en dat vereist een scherpe publieke controle, meent Frank Ankersmit.

Nee, Jort, het volk mág zelfs niet zwijgen. Illustratie Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

Mooi rijk is niet lelijk. Die boodschap draagt Jort Kelder gaarne uit. En wie zou het met hem oneens zijn? Wanneer iemand een bedrijf als Microsoft of Google weet op te zetten en dan honderd miljard op zijn bankrekening heeft staan, dan moeten we hem dat gunnen. Zolang hij zijn belastingen maar netjes betaalt. Maar volgens Kelder zijn Nederlanders zo genereus niet en misgunnen zij de rijken hun rijkdom (Opiniepagina, 8 augustus). Dat neemt hij ze kwalijk en hij ziet daarin de kwalijke erfenis van de nivelleringsdrift van Den Uyl en diens uilskuikens van dertig jaar geleden.

Toch is ook Kelder soms best voor nivellering: „Prima om de bankiers te grijpen die, nadat de belastingbetaler hun blunders betaald heeft, toch bonussen blijven uitkeren en de eigen pensioenpot aanvullen met 1 miljard.” Je hebt dus rijken en rijken. Kelder zou daarom eens moeten uitleggen waarom je falende bankiers wél zou moeten aanpakken, terwijl nog nooit iemand op het idee kwam om de Staat het recht te geven om falende bestuurders van Philips of AKZO voor straf een deel van hun hun salaris af te pakken. En terecht. Waarom dan wel die bankdirecteuren?

Er mist blijkbaar iets in Kelders redenatie. Let op wat hij over de Balkenendenorm zegt. Nederlanders zouden die Balkenendenorm, zegt hij, wel mooi genoeg vinden en daarmee niet inzien dat je voor toptalent nu eenmaal moet betalen. Maar hij vergeet dat de Balkenendenorm geldt voor de overheid en níet voor het bedrijfsleven. Voorts werd die norm ingegeven door de volstrekt plausibele gedachte dat het idioot is wanneer de baas van de overheid minder zou verdienen dan hordes van zijn ondergeschikten. Desnoods moet die baas dan maar een boel meer verdienen. Bij alle discussie over terechte en onterechte salariëring moet je wel in de gaten houden of je het over de overheid of het bedrijfsleven hebt.

Wanneer Kelder een ingrijpen bepleit in de salariëring van de bankiers, dan behandelt hij ze dus eigenlijk alsof ze tot de overheid behoren. Op dit punt aangeland kun je twee kanten uit. Je kunt zeggen dat Kelder zich even vergiste en publieke en private sector door elkaar haalde. Maar dat mag niet, en daarom zullen we, zij het tandenknarsend, moeten berusten in die zelfverrijking van de bankiers.

De andere mogelijkheid is te erkennen dat Kelder groot gelijk heeft, dat die zelfverrijking om talloze redenen een grof schandaal is en de Staat hier dus een mooie taak heeft, al of niet in nauwe samenwerking met de EU-partners. Wat bovendien het aardige bijeffect heeft dat de burger dan zal inzien dat die altijd zo mistige en hulpeloze EU soms wel ergens goed voor kan zijn.

Ik denk dat iedere weldenkende burger voor de tweede optie kiezen zal. Het is na 2008 duidelijk dat je de banken voortaan niet uitsluitend tot de private sector kunt rekenen. Zij bleken in staat om tekorten op te bouwen van vijf- tot zevenmaal het bruto nationaal product van de landen waarin zij gevestigd zijn, waardoor zij die landen door mismanagement, arrogantie en zelfoverschatting op de rand van een faillissement kunnen brengen, met alle fatale gevolgen van dien. De incompetentie van bankiers kan een natie aan de bedelstaf brengen.

Het is alsof keurige taxibedrijven, tot voor kort alleen bezig met het volstrekt onschuldige vervoer van bejaarden van en naar hun tehuizen, zich ineens met tanks en pantserwagens op onze wegen zouden gaan begeven, ondertussen her en der onschuldige autobussen, motorfietsen en personenauto’s, inclusief inzittenden, onder hun enorme gewicht verpletterend. Want daar komt de metamorfose van het bancaire systeem in de laatste tien tot twintig jaar zo ongeveer op neer. Iedereen zou uitroepen dat hier een ontoelaatbare misstand ontstond en dat het hoog tijd is dat de overheid hier iets aan doet.

Doen en laten van banken transformeerde zich van een slechts privaat tot een publiek belang. En dat doen en laten vereist daarmee ook een even scherpe als permanente publieke controle. Bankieren en het verzinnen van financiële producten kan en mag men niet meer overlaten aan de luimen van bankiers alleen. De paradox is dat juist het uitzonderlijke succes van de banken om heel de private sector zozeer te domineren hen transformeerde tot de (nieuwe) bewoners van de publieke sector. De banken hebben een voormalig privaat terrein gepolitiseerd. Dus moeten zij vanzelfsprekend ook onderworpen zijn aan publieke, dat wil zeggen politieke controle zoals in Amerika. Want de basisformule van iedere goede Staat, zelfs van de niet-democratische Staat, is dat publieke belangen beheerd moeten worden door publieke bevoegdheden waarover publieke verantwoording wordt afgelegd. Wie hiervan afwijkt geeft Staat en samenleving in handen van private belangen en levert die daarmee uit aan willekeur en eigenbelang.

Frank Ankersmit is hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Lees het artikel van Jort Kelder op nrc.nl/opinie